Vocabulaireverzameling Toeristische bestemmingen in Toerismebranche: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Toeristische bestemmingen' in 'Toerismebranche' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) toeristische attractie, bezienswaardigheid
Voorbeeld:
(noun) sightseeing, bezienswaardigheden bekijken
Voorbeeld:
(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;
(adjective) baanbrekend, historisch
Voorbeeld:
(noun) strand;
(verb) aan land brengen, stranden
Voorbeeld:
(noun) berg, hoop
Voorbeeld:
(noun) eiland, verkeerseiland
Voorbeeld:
(noun) nationaal park
Voorbeeld:
(noun) museum
Voorbeeld:
(noun) kathedraal
Voorbeeld:
(noun) kasteel, burcht, landhuis;
(verb) versterken, verbouwen tot kasteel
Voorbeeld:
(noun) tempel, slaap
Voorbeeld:
(noun) markt;
(verb) op de markt brengen, vermarkten
Voorbeeld:
(noun) themapark, pretpark
Voorbeeld:
(noun) waterval
Voorbeeld:
(noun) grot, spelonk;
(verb) zwichten, toegeven
Voorbeeld:
(noun) dierentuin, zoo
Voorbeeld:
(noun) botanische tuin
Voorbeeld:
(noun) resort, oord, toevlucht;
(verb) toevlucht nemen tot, zijn heil zoeken in
Voorbeeld:
(noun) landschap, landschapsschilderij, landschapsfoto;
(verb) landschappen, aanleggen
Voorbeeld:
(noun) architectuur, bouwkunst, structuur
Voorbeeld:
(noun) camping, kampeerterrein
Voorbeeld:
(noun) backpacken, rugzakreizen;
(verb) backpacken, rugzakreizen
Voorbeeld:
(noun) ecotoerisme
Voorbeeld:
(noun) avontuur, spanning;
(verb) avonturieren, wagen
Voorbeeld:
(noun) cruise, zeereis;
(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) ansichtkaart, postkaart
Voorbeeld:
(noun) reisschema, reisplan
Voorbeeld:
(noun) paspoort, toegang, middel
Voorbeeld:
(noun) visum;
(verb) viseren, een visum verlenen;
(trademark) Visa, Visa-kaart
Voorbeeld:
(noun) douane, gewoonte, gebruik
Voorbeeld:
(noun) valuta, munteenheid, geldigheid
Voorbeeld:
(noun) wisselkoers
Voorbeeld:
(noun) hotel
Voorbeeld:
(noun) hostel, herberg
Voorbeeld:
(noun) guesthouse, pension
Voorbeeld:
(noun) vliegticketprijs, vliegtarief
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(noun) aankomst, komst, aanwinst
Voorbeeld:
(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(noun) roomservice
Voorbeeld:
(noun) eenpersoonskamer
Voorbeeld:
(noun) tweepersoonskamer
Voorbeeld:
(noun) suite, appartement, set
Voorbeeld:
(noun) reservering, boeking, bedenking
Voorbeeld:
(noun) rugzak;
(verb) backpacken, met een rugzak reizen
Voorbeeld:
(noun) camera, fototoestel
Voorbeeld:
(noun) kaart;
(verb) karteren, in kaart brengen
Voorbeeld:
(noun) reisgids, gids
Voorbeeld:
(noun) zonnebrandcrème, zonnebrandmiddel
Voorbeeld:
(plural noun) zonnebril
Voorbeeld:
(noun) hoed, pet;
(verb) een hoed opzetten, van een hoed voorzien
Voorbeeld:
(verb) bewonderen, genieten van het kijken naar
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen
Voorbeeld:
(verb) ontdekken, vinden, erachter komen
Voorbeeld:
(verb) vangen, veroveren, arresteren;
(noun) vangst, verovering, arrestatie
Voorbeeld:
(verb) genieten van, beschikken over
Voorbeeld:
(verb) dwalen, rondzwerven, kronkelen
Voorbeeld:
(noun) kinderwagen, buggy
Voorbeeld:
(verb) zwemmen, duizelen, draaien;
(noun) zwempartij, zwem
Voorbeeld:
(noun) snorkel, snorkel (onderzeeër);
(verb) snorchelen
Voorbeeld:
(verb) duiken, springen, snel bewegen;
(noun) duik, sprong, daling
Voorbeeld:
(noun) wandeling, trektocht, stijging;
(verb) wandelen, trekken, verhogen
Voorbeeld:
(noun) kamp, fractie;
(verb) kamperen;
(adjective) overdreven, campy
Voorbeeld:
(noun) picknick;
(verb) picknicken
Voorbeeld:
(noun) smaak, voorkeur;
(verb) proeven, smaken
Voorbeeld:
(verb) proberen, uitproberen, testen;
(noun) poging, proef
Voorbeeld:
(noun) ervaring, belevenis;
(verb) ervaren, ondervinden
Voorbeeld:
(verb) bijwonen, volgen, zorgen voor
Voorbeeld:
(noun) festival, feest
Voorbeeld:
(noun) parade, optocht, stroom;
(verb) paraderen, pronken
Voorbeeld:
(noun) vuurwerk
Voorbeeld:
(adjective) cultureel, artistiek
Voorbeeld:
(noun) traditie, gebruik, overlevering
Voorbeeld:
(noun) straatvoedsel, streetfood
Voorbeeld:
(noun) winkelen, boodschappen doen;
(verb) winkelen, boodschappen doen
Voorbeeld:
(noun) handwerk, ambacht
Voorbeeld:
(noun) onderhandeling, afdingen, collectieve onderhandeling
Voorbeeld:
(noun) cruiseschip
Voorbeeld:
(noun) reisverzekering
Voorbeeld: