Vocabulaireverzameling Unit 3: Mijn vrienden in Groep 6: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 3: Mijn vrienden' in 'Groep 6' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) wang, brutaliteit, onbeschaamdheid;
(verb) brutaliseren, onbeschaamd zijn
Voorbeeld:
(noun) mond, monding, ingang;
(verb) uitspreken, zeggen
Voorbeeld:
(noun) schouder, vluchtstrook, berm;
(verb) schouderen, dragen
Voorbeeld:
(noun) oog, opening;
(verb) bekijken, observeren
Voorbeeld:
(noun) been, poot, etappe;
(verb) lopen, rennen
Voorbeeld:
(noun) voet, lengtemaat, onderkant;
(verb) lopen, te voet gaan, betalen
Voorbeeld:
(noun) hand, handschrift, wijzer;
(verb) overhandigen, aanreiken
Voorbeeld:
(noun) neus, voorkant;
(verb) wroeten, snuffelen, zich een weg banen
Voorbeeld:
(noun) arm, wapen;
(verb) bewapenen
Voorbeeld:
(noun) baard;
(verb) trotseren, uitdagen
Voorbeeld:
(noun) sproet;
(verb) sproeten krijgen, sproeten
Voorbeeld:
(noun) nek, hals, kraag;
(verb) zoenen, tongzoenen
Voorbeeld:
(noun) borst, kist, koffer
Voorbeeld:
(noun) knie;
(verb) knielen, met de knie slaan
Voorbeeld:
(noun) vinger;
(verb) aanraken, voelen
Voorbeeld:
(noun) teen, neus, teen (van sok);
(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen
Voorbeeld:
(adjective) kaal, met een bles, met witte aftekeningen op het hoofd
Voorbeeld:
(adjective) krullend
Voorbeeld:
(adjective) golvend, gegolfd
Voorbeeld:
(noun) paardenstaart
Voorbeeld:
(adjective) recht, steil, eerlijk;
(adverb) recht, rechtdoor, direct;
(noun) recht stuk, rechte lijn
Voorbeeld:
(noun) blondine, blondje;
(adjective) blond
Voorbeeld:
(noun) uiterlijk, verschijning, optreden
Voorbeeld:
(noun) vet;
(adjective) dik, vet, groot
Voorbeeld:
(adjective) dun, mager, slank;
(verb) verdunnen, uitdunnen;
(adverb) dun
Voorbeeld:
(noun) pony, franje, kwastje;
(verb) franjeren, afzetten;
(adjective) marginaal, alternatief, onconventioneel
Voorbeeld:
(adjective) slank, dun, klein;
(verb) afslanken, stroomlijnen
Voorbeeld:
(adjective) hardwerkend, vlijtig
Voorbeeld:
(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd
Voorbeeld:
(adjective) grappig, humoristisch, vreemd
Voorbeeld:
(adjective) zorgzaam, liefdevol;
(noun) zorg, verzorging
Voorbeeld:
(adjective) actief, energiek, van kracht
Voorbeeld:
(adjective) voorzichtig, zorgvuldig, grondig
Voorbeeld:
(adjective) slim, knap, handig
Voorbeeld:
(adjective) verlegen, schuw, teruggetrokken;
(verb) gooien, werpen, schrikken;
(noun) schrikbeweging, terugdeinzen
Voorbeeld:
(noun) soort, type;
(adjective) aardig, vriendelijk, lief
Voorbeeld:
(adjective) creatief, scheppend
Voorbeeld:
(adjective) vriendelijk, aardig, onschadelijk
Voorbeeld:
(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;
(noun) hulp, bijstand;
(exclamation) help, hulp
Voorbeeld:
(adjective) sportief, stijlvol en snel uitziend
Voorbeeld:
(noun) deel, aandeel;
(verb) delen, meedelen
Voorbeeld:
(adjective) praatgraag, spraakzaam
Voorbeeld:
(adjective) streng, strik, strikt
Voorbeeld:
(adjective) lui, traag, rustig
Voorbeeld:
(adjective) beleefd, hoffelijk
Voorbeeld: