Avatar of Vocabulary Set Unit 3: Mijn vrienden

Vocabulaireverzameling Unit 3: Mijn vrienden in Groep 6: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Unit 3: Mijn vrienden' in 'Groep 6' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cheek

/tʃiːk/

(noun) wang, brutaliteit, onbeschaamdheid;

(verb) brutaliseren, onbeschaamd zijn

Voorbeeld:

She kissed him on the cheek.
Ze kuste hem op de wang.

mouth

/maʊθ/

(noun) mond, monding, ingang;

(verb) uitspreken, zeggen

Voorbeeld:

He opened his mouth to speak.
Hij opende zijn mond om te spreken.

shoulder

/ˈʃoʊl.dɚ/

(noun) schouder, vluchtstrook, berm;

(verb) schouderen, dragen

Voorbeeld:

He carried the bag on his shoulder.
Hij droeg de tas op zijn schouder.

eye

/aɪ/

(noun) oog, opening;

(verb) bekijken, observeren

Voorbeeld:

She has beautiful blue eyes.
Ze heeft prachtige blauwe ogen.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

hand

/hænd/

(noun) hand, handschrift, wijzer;

(verb) overhandigen, aanreiken

Voorbeeld:

She waved her hand to say goodbye.
Ze zwaaide met haar hand om gedag te zeggen.

nose

/noʊz/

(noun) neus, voorkant;

(verb) wroeten, snuffelen, zich een weg banen

Voorbeeld:

He wiped his nose with a tissue.
Hij veegde zijn neus af met een tissue.

arm

/ɑːrm/

(noun) arm, wapen;

(verb) bewapenen

Voorbeeld:

She held the baby in her arms.
Ze hield de baby in haar armen.

hair

/her/

(noun) haar, kapsel

Voorbeeld:

She has long, beautiful hair.
Ze heeft lang, mooi haar.

beard

/bɪrd/

(noun) baard;

(verb) trotseren, uitdagen

Voorbeeld:

He decided to grow a beard for the winter.
Hij besloot een baard te laten groeien voor de winter.

freckle

/ˈfrek.əl/

(noun) sproet;

(verb) sproeten krijgen, sproeten

Voorbeeld:

She has a few cute freckles on her nose.
Ze heeft een paar schattige sproetjes op haar neus.

neck

/nek/

(noun) nek, hals, kraag;

(verb) zoenen, tongzoenen

Voorbeeld:

She wore a beautiful necklace around her neck.
Ze droeg een prachtige ketting om haar nek.

chest

/tʃest/

(noun) borst, kist, koffer

Voorbeeld:

He felt a sharp pain in his chest.
Hij voelde een scherpe pijn in zijn borst.

knee

/niː/

(noun) knie;

(verb) knielen, met de knie slaan

Voorbeeld:

He fell and scraped his knee.
Hij viel en schaafde zijn knie.

finger

/ˈfɪŋ.ɡɚ/

(noun) vinger;

(verb) aanraken, voelen

Voorbeeld:

She pointed with her index finger.
Ze wees met haar wijsvinger.

toe

/toʊ/

(noun) teen, neus, teen (van sok);

(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen

Voorbeeld:

She stubbed her toe on the table leg.
Ze stootte haar teen tegen de tafelpoot.

bald

/bɑːld/

(adjective) kaal, met een bles, met witte aftekeningen op het hoofd

Voorbeeld:

He started going bald in his early thirties.
Hij begon kaal te worden begin dertig.

curly

/ˈkɝː.li/

(adjective) krullend

Voorbeeld:

She has beautiful curly hair.
Ze heeft prachtig krullend haar.

wavy

/ˈweɪ.vi/

(adjective) golvend, gegolfd

Voorbeeld:

She has beautiful long wavy hair.
Ze heeft prachtig lang golvend haar.

ponytail

/ˈpoʊ.ni.teɪl/

(noun) paardenstaart

Voorbeeld:

She usually wears her hair in a high ponytail.
Ze draagt haar haar meestal in een hoge paardenstaart.

straight

/streɪt/

(adjective) recht, steil, eerlijk;

(adverb) recht, rechtdoor, direct;

(noun) recht stuk, rechte lijn

Voorbeeld:

Draw a straight line across the page.
Trek een rechte lijn over de pagina.

blonde

/blɑːnd/

(noun) blondine, blondje;

(adjective) blond

Voorbeeld:

The actress is a natural blonde.
De actrice is een natuurlijke blondine.

appearance

/əˈpɪr.əns/

(noun) uiterlijk, verschijning, optreden

Voorbeeld:

Her sudden appearance surprised everyone.
Haar plotselinge verschijning verraste iedereen.

fat

/fæt/

(noun) vet;

(adjective) dik, vet, groot

Voorbeeld:

The chef trimmed the excess fat from the meat.
De chef sneed het overtollige vet van het vlees.

thin

/θɪn/

(adjective) dun, mager, slank;

(verb) verdunnen, uitdunnen;

(adverb) dun

Voorbeeld:

The book has a thin cover.
Het boek heeft een dunne kaft.

fringe

/frɪndʒ/

(noun) pony, franje, kwastje;

(verb) franjeren, afzetten;

(adjective) marginaal, alternatief, onconventioneel

Voorbeeld:

She decided to get a new haircut with a short fringe.
Ze besloot een nieuw kapsel te nemen met een korte pony.

slim

/slɪm/

(adjective) slank, dun, klein;

(verb) afslanken, stroomlijnen

Voorbeeld:

She has a slim and elegant figure.
Ze heeft een slank en elegant figuur.

hard-working

/ˌhɑːrdˈwɜːr.kɪŋ/

(adjective) hardwerkend, vlijtig

Voorbeeld:

She is a very hard-working student.
Ze is een zeer hardwerkende student.

confident

/ˈkɑːn.fə.dənt/

(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd

Voorbeeld:

She felt confident about her presentation.
Ze voelde zich zelfverzekerd over haar presentatie.

funny

/ˈfʌn.i/

(adjective) grappig, humoristisch, vreemd

Voorbeeld:

He told a really funny joke.
Hij vertelde een echt grappige grap.

caring

/ˈker.ɪŋ/

(adjective) zorgzaam, liefdevol;

(noun) zorg, verzorging

Voorbeeld:

She is a very caring person who always helps those in need.
Ze is een heel zorgzaam persoon die altijd mensen in nood helpt.

active

/ˈæk.tɪv/

(adjective) actief, energiek, van kracht

Voorbeeld:

He leads a very active lifestyle, always hiking and cycling.
Hij leidt een zeer actieve levensstijl, altijd wandelend en fietsend.

careful

/ˈker.fəl/

(adjective) voorzichtig, zorgvuldig, grondig

Voorbeeld:

Be careful when crossing the road.
Wees voorzichtig bij het oversteken van de weg.

clever

/ˈklev.ɚ/

(adjective) slim, knap, handig

Voorbeeld:

She's a very clever student and always gets good grades.
Ze is een heel slimme student en haalt altijd goede cijfers.

shy

/ʃaɪ/

(adjective) verlegen, schuw, teruggetrokken;

(verb) gooien, werpen, schrikken;

(noun) schrikbeweging, terugdeinzen

Voorbeeld:

She was too shy to ask him to dance.
Ze was te verlegen om hem ten dans te vragen.

kind

/kaɪnd/

(noun) soort, type;

(adjective) aardig, vriendelijk, lief

Voorbeeld:

What kind of music do you like?
Wat voor soort muziek vind je leuk?

creative

/kriˈeɪ.t̬ɪv/

(adjective) creatief, scheppend

Voorbeeld:

She has a very creative mind.
Ze heeft een zeer creatieve geest.

friendly

/ˈfrend.li/

(adjective) vriendelijk, aardig, onschadelijk

Voorbeeld:

She has a very friendly smile.
Ze heeft een heel vriendelijke glimlach.

help

/help/

(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;

(noun) hulp, bijstand;

(exclamation) help, hulp

Voorbeeld:

Can you help me with my homework?
Kun je me helpen met mijn huiswerk?

sporty

/ˈspɔːr.t̬i/

(adjective) sportief, stijlvol en snel uitziend

Voorbeeld:

She's very sporty and plays tennis every weekend.
Ze is erg sportief en speelt elk weekend tennis.

share

/ʃer/

(noun) deel, aandeel;

(verb) delen, meedelen

Voorbeeld:

Everyone received an equal share of the profits.
Iedereen ontving een gelijk deel van de winst.

talkative

/ˈtɑː.kə.t̬ɪv/

(adjective) praatgraag, spraakzaam

Voorbeeld:

She's a very talkative person and loves to share stories.
Ze is een erg praatgraag persoon en houdt ervan verhalen te delen.

strict

/strɪkt/

(adjective) streng, strik, strikt

Voorbeeld:

My parents were very strict about bedtime.
Mijn ouders waren erg streng over bedtijd.

lazy

/ˈleɪ.zi/

(adjective) lui, traag, rustig

Voorbeeld:

He's too lazy to clean his room.
Hij is te lui om zijn kamer schoon te maken.

polite

/pəˈlaɪt/

(adjective) beleefd, hoffelijk

Voorbeeld:

It's important to be polite to your elders.
Het is belangrijk om beleefd te zijn tegen je ouderen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland