Vocabulaireverzameling B1 - Letter F in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter F' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;
(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen
Voorbeeld:
(adverb) redelijk, tamelijk, eerlijk
Voorbeeld:
(adjective) bekend, vertrouwd, bekend met
Voorbeeld:
(adjective) chique, uitgebreid, luxueus;
(verb) zin hebben in, houden van, zich voorstellen;
(noun) gril, fantasie, lust
Voorbeeld:
(adverb) ver, veel, erg;
(adjective) ver
Voorbeeld:
(adjective) fascinerend, boeiend, interessant
Voorbeeld:
(adjective) modieus, hip, trendy
Voorbeeld:
(verb) vastmaken, bevestigen, sluiten
Voorbeeld:
(noun) gunst, plezier, voorkeur;
(verb) begunstigen, voorkeur geven aan
Voorbeeld:
(noun) angst, vrees, ontzag;
(verb) vrezen, bang zijn voor, bezorgd zijn om
Voorbeeld:
(noun) kenmerk, eigenschap, reportage;
(verb) kenmerken, bevatten, een prominente rol spelen
Voorbeeld:
(noun) hek, omheining, heler;
(verb) omheinen, afzetten, schermen
Voorbeeld:
(noun) gevecht, strijd;
(verb) vechtend, strijdend;
(adjective) strijdlustig, agressief
Voorbeeld:
(noun) map, dossier, bestand;
(verb) archiveren, ordenen, indienen
Voorbeeld:
(adjective) financieel
Voorbeeld:
(noun) vuur, brand, schieten;
(verb) vuren, afschieten, ontslaan
Voorbeeld:
(noun) conditie, fitheid, geschiktheid
Voorbeeld:
(adjective) vast, vastgemaakt, bepaald;
(verb) repareren, herstellen, bevestigen
Voorbeeld:
(noun) vlag;
(verb) markeren, vlaggen, verslappen
Voorbeeld:
(noun) overstroming, vloed, stroom;
(verb) overstromen, onder water zetten, overspoelen
Voorbeeld:
(noun) bloem, meel;
(verb) bestuiven met bloem, bebloemen
Voorbeeld:
(noun) stroom, vloei, flow;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;
(noun) vouw, kudde, groep
Voorbeeld:
(noun) mensen, volk, lui;
(adjective) volks, traditioneel
Voorbeeld:
(adjective) volgend, daaropvolgend;
(noun) aanhang, volgers, publiek;
(preposition) na, volgend op
Voorbeeld:
(noun) kracht, energie, geweld;
(verb) dwingen, forceren
Voorbeeld:
(adverb) voor altijd, eeuwig, heel lang
Voorbeeld:
(noun) lijst, kozijn, frame;
(verb) lijsten, inlijsten, formuleren
Voorbeeld:
(verb) bevriezen, invriezen, stilstaan;
(noun) vorst, vriespunt, stop
Voorbeeld:
(adverb) frequent, vaak
Voorbeeld:
(noun) vriendschap
Voorbeeld:
(verb) bang maken, schrikken
Voorbeeld:
(adjective) bang, geschrokken
Voorbeeld:
(adjective) beangstigend, schrikwekkend
Voorbeeld:
(adjective) bevroren, verstijfd, stilgezet;
(past participle) bevroren
Voorbeeld:
(verb) bakken, frituren, smelten;
(noun) friet, gebakken gerecht, vislarven
Voorbeeld:
(noun) brandstof, voeding, stimulans;
(verb) tanken, van brandstof voorzien, aanwakkeren
Voorbeeld:
(noun) functie, doel, bijeenkomst;
(verb) functioneren, werken
Voorbeeld:
(noun) vacht, bont, pels;
(verb) bekleden met bont, aanslaan
Voorbeeld:
(adverb) verder, meer;
(adjective) verder, additioneel;
(verb) bevorderen, stimuleren
Voorbeeld: