Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter L

Vocabulaireverzameling A1 - Letter L in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter L' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

language

/ˈlæŋ.ɡwɪdʒ/

(noun) taal, taalgebruik, stijl

Voorbeeld:

English is a widely spoken language.
Engels is een veelgesproken taal.

large

/lɑːrdʒ/

(adjective) groot, omvangrijk, breed;

(adverb) grootschalig, op grote schaal

Voorbeeld:

They live in a large house.
Ze wonen in een groot huis.

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

late

/leɪt/

(adjective) laat, te laat, eind-;

(adverb) laat, te laat, tot laat

Voorbeeld:

She was late for her appointment.
Ze was te laat voor haar afspraak.

later

/ˈleɪ.t̬ɚ/

(adverb) later, daarna;

(adjective) later, volgend

Voorbeeld:

I'll call you later.
Ik bel je later.

laugh

/læf/

(verb) lachen;

(noun) lach

Voorbeeld:

She couldn't help but laugh at his joke.
Ze kon niet anders dan lachen om zijn grap.

learn

/lɝːn/

(verb) leren, aanleren, erfahren

Voorbeeld:

She is eager to learn new languages.
Ze is erop gebrand nieuwe talen te leren.

leave

/liːv/

(verb) verlaten, vertrekken, laten;

(noun) verlof, vrij, toestemming

Voorbeeld:

She decided to leave the party early.
Ze besloot het feest vroeg te verlaten.

left

/left/

(adjective) links, over, resterend;

(noun) links, linkse vleugel;

(past tense) verliet, achtergelaten

Voorbeeld:

Turn left at the next intersection.
Sla linksaf bij de volgende kruising.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

lesson

/ˈles.ən/

(noun) les, onderwijs, leerstuk

Voorbeeld:

The students had a math lesson this morning.
De studenten hadden vanochtend een wiskundeles.

let

/let/

(verb) laten, toestaan, let;

(noun) huur, verhuur

Voorbeeld:

She wouldn't let him go.
Ze wilde hem niet laten gaan.

letter

/ˈlet̬.ɚ/

(noun) letter, brief;

(verb) letteren, beschrijven

Voorbeeld:

The word 'cat' has three letters.
Het woord 'kat' heeft drie letters.

library

/ˈlaɪ.brer.i/

(noun) bibliotheek, boekenverzameling, collectie

Voorbeeld:

I'm going to the library to borrow some books.
Ik ga naar de bibliotheek om boeken te lenen.

lie

/laɪ/

(verb) liggen, zich bevinden, liegen;

(noun) leugen, onwaarheid

Voorbeeld:

She likes to lie on the beach and read.
Ze houdt ervan om op het strand te liggen en te lezen.

life

/laɪf/

(noun) leven, bestaan, levensduur

Voorbeeld:

Water is essential for life.
Water is essentieel voor leven.

light

/laɪt/

(noun) licht, lamp, lichtbron;

(verb) aansteken, verlichten;

(adjective) licht

Voorbeeld:

The room was filled with natural light.
De kamer was gevuld met natuurlijk licht.

like

/laɪk/

(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;

(verb) leuk vinden, houden van, willen;

(conjunction) als, zoals;

(adverb) zei, was van mening;

(interjection) zoiets als, was van mening;

(noun) gelijke, soortgelijke

Voorbeeld:

She looks just like her mother.
Ze lijkt precies op haar moeder.

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.

lion

/ˈlaɪ.ən/

(noun) leeuw, dappere persoon, sterke persoon

Voorbeeld:

The lion roared loudly in the savanna.
De leeuw brulde luid in de savanne.

list

/lɪst/

(noun) lijst;

(verb) lijsten, opsommen

Voorbeeld:

Make a shopping list before you go to the store.
Maak een boodschappenlijst voordat je naar de winkel gaat.

listen

/ˈlɪs.ən/

(verb) luisteren, gehoorzamen, aandacht schenken

Voorbeeld:

Please listen carefully to the instructions.
Gelieve aandachtig naar de instructies te luisteren.

little

/ˈlɪt̬.əl/

(adjective) klein, weinig, jong;

(determiner) weinig, beetje;

(adverb) een beetje, weinig

Voorbeeld:

She has a little dog.
Ze heeft een klein hondje.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

local

/ˈloʊ.kəl/

(adjective) lokaal, plaatselijk;

(noun) lokale bewoner, plaatselijke, stoptrein

Voorbeeld:

The local bakery makes the best bread.
De lokale bakkerij maakt het beste brood.

long

/lɑːŋ/

(adjective) lang, langdurig;

(adverb) lang;

(verb) verlangen, smachten

Voorbeeld:

The river is very long.
De rivier is erg lang.

look

/lʊk/

(verb) kijken, zoeken, lijken;

(noun) blik, uitstraling, uiterlijk

Voorbeeld:

She looked at him and smiled.
Ze keek naar hem en glimlachte.

lose

/luːz/

(verb) verliezen, kwijtraken

Voorbeeld:

I don't want to lose my job.
Ik wil mijn baan niet verliezen.

lot

/lɑːt/

(noun) veel, een hoop, perceel;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

She has a lot of friends.
Ze heeft veel vrienden.

love

/lʌv/

(noun) liefde, geliefde;

(verb) houden van, liefhebben, genieten van

Voorbeeld:

Their love for each other was evident to everyone.
Hun liefde voor elkaar was voor iedereen duidelijk.

lunch

/lʌntʃ/

(noun) lunch, middagmaaltijd;

(verb) lunchen

Voorbeeld:

Let's meet for lunch tomorrow.
Laten we morgen afspreken voor de lunch.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland