Vocabulaireverzameling Top 26 - 50 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 26 - 50 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) vinden, ontdekken, ervaren;
(noun) vondst, ontdekking
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, toevallig vinden
Voorbeeld:
(verb) roepen, schreeuwen, bellen;
(noun) bezoek, oproep, telefoontje
Voorbeeld:
(verb) leggen, plaatsen, brengen;
(noun) stoot, worp
Voorbeeld:
(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;
(verb) leuk vinden, houden van, willen;
(conjunction) als, zoals;
(adverb) zei, was van mening;
(interjection) zoiets als, was van mening;
(noun) gelijke, soortgelijke
Voorbeeld:
(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;
(noun) hulp, bijstand;
(exclamation) help, hulp
Voorbeeld:
(noun) liefde, geliefde;
(verb) houden van, liefhebben, genieten van
Voorbeeld:
(verb) houden, behouden, blijven;
(noun) donjon, burcht
Voorbeeld:
(verb) worden, staan, passen
Voorbeeld:
(verb) tonen, laten zien, presenteren;
(noun) show, voorstelling, vertoning
Voorbeeld:
(verb) horen, vernieuwingen ontvangen
Voorbeeld:
(verb) vragen, informeren, verzoeken;
(noun) vraag, verzoek
Voorbeeld:
(verb) verlaten, vertrekken, laten;
(noun) verlof, vrij, toestemming
Voorbeeld:
(verb) kijken, observeren, opletten;
(noun) horloge, wacht, bewaking
Voorbeeld:
(verb) leren, aanleren, erfahren
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;
(noun) beweging, zet, verhuizing
Voorbeeld:
(verb) creëren, scheppen, maken
Voorbeeld:
(verb) leven, wonen, verblijven;
(adjective) live, rechtstreeks, levend;
(adverb) live, rechtstreeks
Voorbeeld:
(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;
(noun) toneelstuk, spel, recreatie
Voorbeeld:
(verb) lijken, schijnen, denken
Voorbeeld:
(verb) begrijpen, verstaan, interpreteren
Voorbeeld:
(verb) brengen, meenemen, veroorzaken
Voorbeeld:
(verb) toevoegen, optellen, berekenen
Voorbeeld:
(verb) herinneren, zich herinneren, onthouden
Voorbeeld: