Avatar of Vocabulary Set Top 26 - 50 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 26 - 50 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 26 - 50 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

fact

/fækt/

(noun) feit, gegeven, informatie

Voorbeeld:

It's a well-known fact that the Earth revolves around the Sun.
Het is een bekend feit dat de aarde om de zon draait.

work

/wɝːk/

(noun) werk, arbeid, taak;

(verb) werken, arbeiden, functioneren

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb vandaag veel werk te doen.

problem

/ˈprɑː.bləm/

(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid

Voorbeeld:

We have a serious problem to solve.
We hebben een serieus probleem op te lossen.

side

/saɪd/

(noun) kant, zijde, aspect;

(adjective) zijdelings, zij-;

(verb) kant kiezen, bekleden

Voorbeeld:

He stood by her side.
Hij stond aan haar zijde.

hand

/hænd/

(noun) hand, handschrift, wijzer;

(verb) overhandigen, aanreiken

Voorbeeld:

She waved her hand to say goodbye.
Ze zwaaide met haar hand om gedag te zeggen.

body

/ˈbɑː.di/

(noun) lichaam, hoofdgedeelte, carrosserie

Voorbeeld:

The human body is a complex system.
Het menselijk lichaam is een complex systeem.

country

/ˈkʌn.tri/

(noun) land, staat, platteland

Voorbeeld:

France is a beautiful country.
Frankrijk is een prachtig land.

story

/ˈstɔːr.i/

(noun) verhaal, sprookje, verslag

Voorbeeld:

She told us a fascinating story about her travels.
Ze vertelde ons een fascinerend verhaal over haar reizen.

example

/ɪɡˈzæm.pəl/

(noun) voorbeeld, rolmodel

Voorbeeld:

This is a good example of modern architecture.
Dit is een goed voorbeeld van moderne architectuur.

state

/steɪt/

(noun) staat, toestand;

(verb) verklaren, stellen

Voorbeeld:

The United States is a large country.
De Verenigde Staten is een groot land.

week

/wiːk/

(noun) week, werkweek

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

friend

/frend/

(noun) vriend, vriendin, supporter;

(verb) vrienden, toevoegen als vriend

Voorbeeld:

She introduced me to her best friend.
Ze stelde me voor aan haar beste vriendin.

end

/end/

(noun) einde, slot, uiteinde;

(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen

Voorbeeld:

We reached the end of the road.
We bereikten het einde van de weg.

stuff

/stʌf/

(noun) spullen, dingen, materiaal;

(verb) proppen, vullen, opvullen

Voorbeeld:

I need to pack all my stuff before I move.
Ik moet al mijn spullen inpakken voordat ik verhuis.

car

/kɑːr/

(noun) auto, wagon, rijtuig

Voorbeeld:

He bought a new car last week.
Hij kocht vorige week een nieuwe auto.

book

/bʊk/

(noun) boek, register;

(verb) boeken, reserveren, registreren

Voorbeeld:

I'm reading a fascinating book about ancient history.
Ik lees een fascinerend boek over oude geschiedenis.

name

/neɪm/

(noun) naam, reputatie;

(verb) noemen, benoemen

Voorbeeld:

What is your name?
Wat is jouw naam?

reason

/ˈriː.zən/

(noun) reden, oorzaak, rede;

(verb) redeneren, beredenen

Voorbeeld:

The reason for his absence was illness.
De reden voor zijn afwezigheid was ziekte.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

family

/ˈfæm.əl.i/

(noun) familie, gezin, geslacht;

(adjective) familie-, gezins-

Voorbeeld:

My family is coming to visit next week.
Mijn familie komt volgende week op bezoek.

power

/ˈpaʊ.ɚ/

(noun) kracht, vermogen, macht;

(verb) aandrijven, van stroom voorzien

Voorbeeld:

The engine lacks sufficient power to climb the steep hill.
De motor mist voldoende vermogen om de steile heuvel te beklimmen.

food

/fuːd/

(noun) voedsel, eten

Voorbeeld:

We need to buy some food for dinner.
We moeten wat eten kopen voor het avondeten.

system

/ˈsɪs.təm/

(noun) systeem, methode, stelsel

Voorbeeld:

The new filing system improved efficiency.
Het nieuwe archiveringssysteem verbeterde de efficiëntie.

game

/ɡeɪm/

(noun) spel, sport, wild;

(verb) manipuleren, bedriegen;

(adjective) bereid, enthousiast

Voorbeeld:

Let's play a board game tonight.
Laten we vanavond een bordspel spelen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland