Avatar of Vocabulary Set C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 1)

Vocabulaireverzameling C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 1) in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 1)' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

dip

/dɪp/

(verb) dompelen, dippen, dalen;

(noun) daling, duik, dip

Voorbeeld:

She dipped her toe in the cold water.
Ze dompelde haar teen in het koude water.

hook

/hʊk/

(noun) haak, vishaak, hoekstoot;

(verb) haken, vastmaken, boeien

Voorbeeld:

Hang your coat on the hook by the door.
Hang je jas aan de haak bij de deur.

crush

/krʌʃ/

(verb) verpletteren, verbrijzelen, onderdrukken;

(noun) crush, verliefdheid, menigte

Voorbeeld:

He accidentally crushed the delicate flower.
Hij verpletterde per ongeluk de delicate bloem.

stab

/stæb/

(verb) steken, prikken;

(noun) steek, prik

Voorbeeld:

He was arrested for trying to stab his neighbor.
Hij werd gearresteerd omdat hij zijn buurman probeerde te steken.

slash

/slæʃ/

(noun) snede, insnijding, schuine streep;

(verb) snijden, doorsnijden, verlagen

Voorbeeld:

He made a deep slash across the canvas.
Hij maakte een diepe snede over het canvas.

torture

/ˈtɔːr.tʃɚ/

(noun) marteling, foltering, kwelling;

(verb) martelen, folteren

Voorbeeld:

The prisoner was subjected to brutal torture.
De gevangene werd onderworpen aan brute marteling.

whip

/wɪp/

(noun) zweep, slagroom, mousse;

(verb) geselen, zweepslagen geven, kloppen

Voorbeeld:

The cowboy cracked his whip to urge the horses forward.
De cowboy knalde met zijn zweep om de paarden aan te sporen.

leak

/liːk/

(noun) lek, lekkage, openbaring;

(verb) lekken, doorsijpelen, onthullen

Voorbeeld:

There's a water leak in the ceiling.
Er is een waterlek in het plafond.

manipulate

/məˈnɪp.jə.leɪt/

(verb) manipuleren, bedienen, beïnvloeden

Voorbeeld:

He skillfully manipulated the controls of the drone.
Hij manipuleerde behendig de bedieningselementen van de drone.

seize

/siːz/

(verb) grijpen, in beslag nemen, pakken

Voorbeeld:

She tried to seize the opportunity.
Ze probeerde de kans te grijpen.

plug

/plʌɡ/

(noun) stekker, stop, prop;

(verb) inpluggen, aansluiten, stoppen

Voorbeeld:

Make sure the plug is fully inserted into the socket.
Zorg ervoor dat de stekker volledig in het stopcontact zit.

pop

/pɑːp/

(noun) plof, knal, frisdrank;

(verb) ploffen, knallen, wippen;

(adjective) pop, populair;

(adverb) ploffend, knallend

Voorbeeld:

The balloon burst with a loud pop.
De ballon barstte met een luide plof.

rip

/rɪp/

(verb) scheuren, trekken, razen;

(noun) scheur, rift

Voorbeeld:

He tried to rip the paper from my hand.
Hij probeerde het papier uit mijn hand te scheuren.

reside

/rɪˈzaɪd/

(verb) wonen, verblijven, berusten

Voorbeeld:

He has resided in London for the past five years.
Hij heeft de afgelopen vijf jaar in Londen gewoond.

rock

/rɑːk/

(noun) rots, steen, rock;

(verb) wiegen, schommelen, schokken

Voorbeeld:

The mountain was made of solid rock.
De berg was gemaakt van massief rots.

rotate

/ˈroʊ.teɪt/

(verb) draaien, roteren, afwisselen

Voorbeeld:

The Earth rotates on its axis.
De aarde draait om haar as.

pump

/pʌmp/

(noun) pomp, pump, decolleté;

(verb) pompen, oppompen, op en neer bewegen

Voorbeeld:

He used a hand pump to inflate the bicycle tire.
Hij gebruikte een handpomp om de fietsband op te pompen.

probe

/proʊb/

(noun) sonde, tastinstrument, ruimtesonde;

(verb) sonderen, onderzoeken, uitpluizen

Voorbeeld:

The surgeon used a probe to examine the extent of the injury.
De chirurg gebruikte een sonde om de omvang van de verwonding te onderzoeken.

screw

/skruː/

(noun) schroef, draai, omwenteling;

(verb) schroeven, vastschroeven, draaien

Voorbeeld:

He used a screw to fasten the two pieces of wood together.
Hij gebruikte een schroef om de twee stukken hout aan elkaar te bevestigen.

shatter

/ˈʃæt̬.ɚ/

(verb) verbrijzelen, versplinteren, vernietigen;

(noun) verbrijzeling, versplintering

Voorbeeld:

The glass vase fell and shattered on the floor.
De glazen vaas viel en verbrijzelde op de vloer.

shed

/ʃed/

(noun) schuur, loods;

(verb) afwerpen, verliezen, afstoten

Voorbeeld:

He keeps his gardening tools in the shed.
Hij bewaart zijn tuingereedschap in de schuur.

shrink

/ʃrɪŋk/

(verb) krimpen, verkleinen, terugdeinzen;

(noun) psychiater

Voorbeeld:

The company's profits shrank by 10% last year.
De winst van het bedrijf kromp vorig jaar met 10%.

tighten

/ˈtaɪ.tən/

(verb) aanspannen, vastdraaien, strakker maken

Voorbeeld:

Please tighten the screws on this chair.
Gelieve de schroeven op deze stoel aan te draaien.

shrug

/ʃrʌɡ/

(verb) schouders ophalen;

(noun) schouderophalen

Voorbeeld:

He just shrugged and walked away.
Hij haalde gewoon zijn schouders op en liep weg.

sigh

/saɪ/

(noun) zucht;

(verb) zuchten

Voorbeeld:

She let out a deep sigh of relief when she heard the good news.
Ze slaakte een diepe zucht van verlichting toen ze het goede nieuws hoorde.

smash

/smæʃ/

(verb) verbrijzelen, inslaan, botsen;

(noun) klap, botsing, hit

Voorbeeld:

He accidentally smashed the vase.
Hij sloeg per ongeluk de vaas kapot.

snap

/snæp/

(verb) knappen, breken, dichtklappen;

(noun) knak, klik, foto;

(adjective) spontaan, gemakkelijk;

(adverb) abrupt, plotseling;

(exclamation) knak, klik

Voorbeeld:

The twig snapped under his foot.
Het takje knapte onder zijn voet.

soar

/sɔːr/

(verb) zweven, stijgen, snel stijgen

Voorbeeld:

The eagle began to soar above the mountains.
De adelaar begon hoog boven de bergen te zweven.

span

/spæn/

(noun) overspanning, duur, bereik;

(verb) overspannen, bestrijken

Voorbeeld:

The bridge has a span of 200 meters.
De brug heeft een overspanning van 200 meter.

spark

/spɑːrk/

(noun) vonk, spoor;

(verb) ontsteken, aansteken, stimuleren

Voorbeeld:

A single spark ignited the dry leaves.
Een enkele vonk deed de droge bladeren ontbranden.

spin

/spɪn/

(verb) draaien, rondtollen, spinnen;

(noun) draai, rondje, interpretatie

Voorbeeld:

The dancer began to spin on one foot.
De danser begon op één voet te draaien.

stumble

/ˈstʌm.bəl/

(verb) struikelen, wankelen, haperen;

(noun) struikelpartij, wankeling

Voorbeeld:

He began to stumble as he walked through the uneven terrain.
Hij begon te struikelen toen hij door het oneffen terrein liep.

steer

/stɪr/

(verb) sturen, leiden;

(noun) os, stier

Voorbeeld:

He managed to steer the car around the corner.
Hij slaagde erin de auto de hoek om te sturen.

suck

/sʌk/

(verb) zuigen, sabbelen, waardeloos zijn;

(noun) zuig, sabbel

Voorbeeld:

The baby began to suck its thumb.
De baby begon op zijn duim te zuigen.

swing

/swɪŋ/

(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;

(noun) schommel, verschuiving, omslag

Voorbeeld:

The door swung open.
De deur zwaaide open.

trail

/treɪl/

(noun) pad, spoor, sporen;

(verb) volgen, sporen, slepen

Voorbeeld:

The hikers followed the narrow trail through the forest.
De wandelaars volgden het smalle pad door het bos.

twist

/twɪst/

(verb) draaien, vervormen, kronkelen;

(noun) draai, kronkel, wending

Voorbeeld:

She twisted her hair into a bun.
Ze draaide haar haar in een knot.

unveil

/ʌnˈveɪl/

(verb) onthullen, ontsluieren, bekendmaken

Voorbeeld:

The queen will unveil the new statue next month.
De koningin zal volgende maand het nieuwe standbeeld onthullen.

yell

/jel/

(noun) gil, schreeuw;

(verb) schreeuwen, gillen

Voorbeeld:

He let out a yell of pain.
Hij slaakte een gil van pijn.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland