Vocabulaireverzameling C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 1) in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 1)' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) dompelen, dippen, dalen;
(noun) daling, duik, dip
Voorbeeld:
(noun) haak, vishaak, hoekstoot;
(verb) haken, vastmaken, boeien
Voorbeeld:
(verb) verpletteren, verbrijzelen, onderdrukken;
(noun) crush, verliefdheid, menigte
Voorbeeld:
(verb) steken, prikken;
(noun) steek, prik
Voorbeeld:
(noun) snede, insnijding, schuine streep;
(verb) snijden, doorsnijden, verlagen
Voorbeeld:
(noun) marteling, foltering, kwelling;
(verb) martelen, folteren
Voorbeeld:
(noun) zweep, slagroom, mousse;
(verb) geselen, zweepslagen geven, kloppen
Voorbeeld:
(noun) lek, lekkage, openbaring;
(verb) lekken, doorsijpelen, onthullen
Voorbeeld:
(verb) manipuleren, bedienen, beïnvloeden
Voorbeeld:
(verb) grijpen, in beslag nemen, pakken
Voorbeeld:
(noun) stekker, stop, prop;
(verb) inpluggen, aansluiten, stoppen
Voorbeeld:
(noun) plof, knal, frisdrank;
(verb) ploffen, knallen, wippen;
(adjective) pop, populair;
(adverb) ploffend, knallend
Voorbeeld:
(verb) scheuren, trekken, razen;
(noun) scheur, rift
Voorbeeld:
(verb) wonen, verblijven, berusten
Voorbeeld:
(noun) rots, steen, rock;
(verb) wiegen, schommelen, schokken
Voorbeeld:
(verb) draaien, roteren, afwisselen
Voorbeeld:
(noun) pomp, pump, decolleté;
(verb) pompen, oppompen, op en neer bewegen
Voorbeeld:
(noun) sonde, tastinstrument, ruimtesonde;
(verb) sonderen, onderzoeken, uitpluizen
Voorbeeld:
(noun) schroef, draai, omwenteling;
(verb) schroeven, vastschroeven, draaien
Voorbeeld:
(verb) verbrijzelen, versplinteren, vernietigen;
(noun) verbrijzeling, versplintering
Voorbeeld:
(noun) schuur, loods;
(verb) afwerpen, verliezen, afstoten
Voorbeeld:
(verb) krimpen, verkleinen, terugdeinzen;
(noun) psychiater
Voorbeeld:
(verb) aanspannen, vastdraaien, strakker maken
Voorbeeld:
(verb) schouders ophalen;
(noun) schouderophalen
Voorbeeld:
(noun) zucht;
(verb) zuchten
Voorbeeld:
(verb) verbrijzelen, inslaan, botsen;
(noun) klap, botsing, hit
Voorbeeld:
(verb) knappen, breken, dichtklappen;
(noun) knak, klik, foto;
(adjective) spontaan, gemakkelijk;
(adverb) abrupt, plotseling;
(exclamation) knak, klik
Voorbeeld:
(verb) zweven, stijgen, snel stijgen
Voorbeeld:
(noun) overspanning, duur, bereik;
(verb) overspannen, bestrijken
Voorbeeld:
(noun) vonk, spoor;
(verb) ontsteken, aansteken, stimuleren
Voorbeeld:
(verb) draaien, rondtollen, spinnen;
(noun) draai, rondje, interpretatie
Voorbeeld:
(verb) struikelen, wankelen, haperen;
(noun) struikelpartij, wankeling
Voorbeeld:
(verb) sturen, leiden;
(noun) os, stier
Voorbeeld:
(verb) zuigen, sabbelen, waardeloos zijn;
(noun) zuig, sabbel
Voorbeeld:
(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;
(noun) schommel, verschuiving, omslag
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, sporen;
(verb) volgen, sporen, slepen
Voorbeeld:
(verb) draaien, vervormen, kronkelen;
(noun) draai, kronkel, wending
Voorbeeld:
(verb) onthullen, ontsluieren, bekendmaken
Voorbeeld:
(noun) gil, schreeuw;
(verb) schreeuwen, gillen
Voorbeeld: