Avatar of Vocabulary Set B2 - Te veel koks...!

Vocabulaireverzameling B2 - Te veel koks...! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Te veel koks...!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

recipe

/ˈres.ə.pi/

(noun) recept, methode

Voorbeeld:

Can you share your recipe for chocolate cake?
Kun je je recept voor chocoladetaart delen?

ingredient

/ɪnˈɡriː.di.ənt/

(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor

Voorbeeld:

The main ingredient of this cake is flour.
Het belangrijkste ingrediënt van deze cake is bloem.

beat

/biːt/

(verb) slaan, afranselen, verslaan;

(noun) beat, ritme, slag;

(adjective) uitgeput, moe

Voorbeeld:

He was severely beaten by the attackers.
Hij werd zwaar geslagen door de aanvallers.

chop

/tʃɑːp/

(verb) hakken, snijden, slaan;

(noun) slag, hak, kotelet

Voorbeeld:

He began to chop wood for the fire.
Hij begon hout te hakken voor het vuur.

garnish

/ˈɡɑːr.nɪʃ/

(verb) garneren, versieren, beslag leggen op;

(noun) garnering, versiering

Voorbeeld:

Garnish the dish with fresh parsley.
Garneer het gerecht met verse peterselie.

grill

/ɡrɪl/

(noun) grill, barbecue, grillrestaurant;

(verb) grillen, barbecueën, ondervragen

Voorbeeld:

We cooked burgers on the grill.
We kookten hamburgers op de grill.

heat

/hiːt/

(noun) hitte, warmte, hartstocht;

(verb) verwarmen, opwarmen

Voorbeeld:

The heat from the sun was intense.
De hitte van de zon was intens.

marinate

/ˌmer.əˈneɪd/

(verb) marineren, laten bezinken

Voorbeeld:

Marinate the chicken in lemon juice and herbs for an hour.
Marineer de kip een uur in citroensap en kruiden.

peel

/piːl/

(verb) schillen, pellen, bladderen;

(noun) schil, schillen

Voorbeeld:

She carefully peeled the apple before slicing it.
Ze schilde de appel voorzichtig voordat ze hem sneed.

poach

/poʊtʃ/

(verb) pocheren, stropen, illegaal jagen

Voorbeeld:

I like my eggs poached.
Ik hou van mijn eieren gepocheerd.

roast

/roʊst/

(verb) braden, roosteren, roasten;

(noun) braadstuk, gebraad, roast;

(adjective) gebraden, geroosterd

Voorbeeld:

We decided to roast a chicken for dinner.
We besloten een kip te braden voor het avondeten.

slice

/slaɪs/

(noun) plak, schijf, deel;

(verb) snijden, schijven, slicen

Voorbeeld:

Can I have a slice of cake?
Mag ik een plak cake?

stir

/stɝː/

(verb) roeren, bewegen, opwekken;

(noun) beweging, opschudding

Voorbeeld:

She stirred her coffee with a spoon.
Ze roerde haar koffie met een lepel.

toast

/toʊst/

(noun) toast, geroosterd brood, toost;

(verb) roosteren, proosten, een toost uitbrengen

Voorbeeld:

I had butter and jam on my toast for breakfast.
Ik had boter en jam op mijn toast voor het ontbijt.

counter

/ˈkaʊn.t̬ɚ/

(noun) toonbank, balie, teller;

(verb) tegenwerken, weerleggen;

(adjective) tegen, strijdig met;

(adverb) tegen, in strijd met

Voorbeeld:

The cashier stood behind the counter.
De kassier stond achter de toonbank.

utensil

/juːˈten.səl/

(noun) gereedschap, werktuig, gerei

Voorbeeld:

She organized all the cooking utensils in the drawer.
Ze organiseerde alle kookgerei in de lade.

barbecue

/ˈbɑːr.bə.kjuː/

(noun) barbecue, BBQ, grill;

(verb) barbecueën, grillen

Voorbeeld:

We're having a barbecue on Saturday.
We houden zaterdag een barbecue.

blender

/ˈblen.dɚ/

(noun) blender, mixer

Voorbeeld:

She made a smoothie in the blender.
Ze maakte een smoothie in de blender.

frying pan

/ˈfraɪ.ɪŋ ˌpæn/

(noun) koekenpan, braadpan

Voorbeeld:

She heated some oil in the frying pan.
Ze verwarmde wat olie in de koekenpan.

wok

/wɑːk/

(noun) wok

Voorbeeld:

She stir-fried vegetables in a large wok.
Ze roerbakte groenten in een grote wok.

mixer

/ˈmɪk.sɚ/

(noun) mixer, garde, sociabel persoon

Voorbeeld:

She used an electric mixer to whip the cream.
Ze gebruikte een elektrische mixer om de room op te kloppen.

lid

/lɪd/

(noun) deksel, ooglid

Voorbeeld:

Please put the lid back on the pot.
Plaats het deksel terug op de pot.

mixing bowl

/ˈmɪksɪŋ boʊl/

(noun) mengkom

Voorbeeld:

She used a large mixing bowl to prepare the cake batter.
Ze gebruikte een grote mengkom om het cakebeslag te bereiden.

wooden spoon

/ˈwʊd.ən ˌspuːn/

(noun) houten lepel, houten lepel (laatste plaats prijs)

Voorbeeld:

She stirred the soup with a wooden spoon.
Ze roerde de soep met een houten lepel.

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

pinch

/pɪntʃ/

(noun) snufje, vleugje, kneep;

(verb) knijpen, knellen, stelen

Voorbeeld:

Add a pinch of salt to the soup.
Voeg een snufje zout toe aan de soep.

cupful

/ˈkʌp.fʊl/

(noun) kopje vol, bekervol

Voorbeeld:

Add a cupful of sugar to the mixture.
Voeg een kopje vol suiker toe aan het mengsel.

spoonful

/ˈspuːn.fʊl/

(noun) lepelvol, schep

Voorbeeld:

Add a spoonful of sugar to your tea.
Voeg een lepel suiker toe aan je thee.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland