Avatar of Vocabulary Set B2 - Het gaat over lichaamstaal!

Vocabulaireverzameling B2 - Het gaat over lichaamstaal! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Het gaat over lichaamstaal!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

beat

/biːt/

(verb) slaan, afranselen, verslaan;

(noun) beat, ritme, slag;

(adjective) uitgeput, moe

Voorbeeld:

He was severely beaten by the attackers.
Hij werd zwaar geslagen door de aanvallers.

clap

/klæp/

(verb) klappen, applaudisseren, slaan;

(noun) klap, donderslag, applaus

Voorbeeld:

The audience began to clap loudly after the performance.
Het publiek begon luid te klappen na de voorstelling.

drag

/dræɡ/

(verb) slepen, trekken, voortslepen;

(noun) sleep, weerstand, drag

Voorbeeld:

She had to drag the heavy suitcase up the stairs.
Ze moest de zware koffer de trap op slepen.

grab

/ɡræb/

(verb) grijpen, pakken, snel pakken;

(noun) greep, pak

Voorbeeld:

She tried to grab the falling vase.
Ze probeerde de vallende vaas te grijpen.

punch

/pʌntʃ/

(noun) stoot, klap, perforator;

(verb) slaan, stompen, ponsen

Voorbeeld:

He delivered a powerful punch to his opponent's jaw.
Hij gaf een krachtige stoot op de kaak van zijn tegenstander.

shake

/ʃeɪk/

(verb) schudden, trillen, schokken;

(noun) schudden, trilling

Voorbeeld:

He began to shake the bottle to mix the contents.
Hij begon de fles te schudden om de inhoud te mengen.

bend

/bend/

(verb) buigen, plooien, zwichten;

(noun) bocht, kromming

Voorbeeld:

He tried to bend the metal rod.
Hij probeerde de metalen staaf te buigen.

bow

/baʊ/

(noun) strik, lus, boog;

(verb) buigen, neigen, krommen

Voorbeeld:

She tied her hair back with a pretty pink bow.
Ze bond haar haar vast met een mooie roze strik.

lean

/liːn/

(verb) leunen, hellen, leunen op;

(adjective) slank, mager, schaars

Voorbeeld:

He had to lean forward to hear what she was saying.
Hij moest naar voren leunen om te horen wat ze zei.

slouch

/slaʊtʃ/

(verb) hangen, slungelen;

(noun) hangende houding, slungelige houding, slungel

Voorbeeld:

He tends to slouch when he's tired.
Hij heeft de neiging om te hangen als hij moe is.

kneel

/niːl/

(verb) knielen

Voorbeeld:

She decided to kneel and pray.
Ze besloot te knielen en te bidden.

leap

/liːp/

(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;

(noun) sprong, beweging

Voorbeeld:

The deer leaped over the fence.
Het hert sprong over het hek.

tiptoe

/ˈtɪp.toʊ/

(verb) op je tenen lopen, sluipen;

(adverb) op de tenen

Voorbeeld:

She had to tiptoe past the baby's room so as not to wake him.
Ze moest op haar tenen lopen langs de babykamer om hem niet wakker te maken.

crawl

/krɑːl/

(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;

(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang

Voorbeeld:

The baby learned to crawl before walking.
De baby leerde kruipen voordat hij ging lopen.

lie down

/laɪ daʊn/

(phrasal verb) gaan liggen, neerleggen, zich neerleggen bij

Voorbeeld:

I need to lie down for a bit, I'm feeling tired.
Ik moet even gaan liggen, ik voel me moe.

blink

/blɪŋk/

(verb) knipperen, oogleden sluiten en openen, flitsen;

(noun) knipper, oogopslag

Voorbeeld:

She didn't even blink when she heard the bad news.
Ze knipperde niet eens toen ze het slechte nieuws hoorde.

gaze

/ɡeɪz/

(verb) staren, blik;

(noun) blik, staar

Voorbeeld:

He continued to gaze at her, lost in thought.
Hij bleef naar haar staren, verdiept in gedachten.

squint

/skwɪnt/

(verb) knijpen, scheel kijken;

(noun) oogopslag, scheelzien, scheelstand

Voorbeeld:

She had to squint to read the small print.
Ze moest knijpen om de kleine lettertjes te lezen.

stare

/ster/

(verb) staren, aangapen;

(noun) blik, staar

Voorbeeld:

It's rude to stare at people.
Het is onbeleefd om naar mensen te staren.

wink

/wɪŋk/

(verb) knipogen, knipperen, fonkelen;

(noun) knipoog

Voorbeeld:

He gave her a quick wink to show he was joking.
Hij gaf haar een snelle knipoog om te laten zien dat hij grapte.

chuckle

/ˈtʃʌk.əl/

(verb) grinniken, grijnzen;

(noun) grinnik, grijns

Voorbeeld:

She chuckled at the memory.
Ze grinnikte bij de herinnering.

giggle

/ˈɡɪɡ.əl/

(verb) giechelen, grinniken;

(noun) giechel, grinnik

Voorbeeld:

The children couldn't stop to giggle during the puppet show.
De kinderen konden niet stoppen met giegelen tijdens de poppenkast.

smirk

/smɝːk/

(noun) grijns, zelfgenoegzame glimlach;

(verb) grijnzen, zelfgenoegzaam glimlachen

Voorbeeld:

He couldn't help but give a little smirk when he won the game.
Hij kon het niet laten om een kleine grijns te geven toen hij het spel won.

march

/mɑːrtʃ/

(verb) marcheren, lopen, gaan;

(noun) mars, optocht, maart

Voorbeeld:

The soldiers marched in perfect formation.
De soldaten marcheerden in perfecte formatie.

nod

/nɑːd/

(noun) knik;

(verb) knikken, dommelen, wegzakken

Voorbeeld:

She gave a quick nod of approval.
Ze gaf een snelle knik van goedkeuring.

pace

/peɪs/

(noun) pas, stap, tempo;

(verb) ijlen, wandelen, afmeten

Voorbeeld:

He took a few paces forward.
Hij deed een paar stappen vooruit.

trip

/trɪp/

(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;

(verb) struikelen, vallen, reizen

Voorbeeld:

We're planning a weekend trip to the mountains.
We plannen een weekendtrip naar de bergen.

crouch

/kraʊtʃ/

(verb) hurken, bukken;

(noun) hurk, buk

Voorbeeld:

She had to crouch down to fit through the small opening.
Ze moest hurken om door de kleine opening te passen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland