Vocabulaireverzameling B2 - Het gaat over lichaamstaal! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Het gaat over lichaamstaal!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) slaan, afranselen, verslaan;
(noun) beat, ritme, slag;
(adjective) uitgeput, moe
Voorbeeld:
(verb) klappen, applaudisseren, slaan;
(noun) klap, donderslag, applaus
Voorbeeld:
(verb) slepen, trekken, voortslepen;
(noun) sleep, weerstand, drag
Voorbeeld:
(verb) grijpen, pakken, snel pakken;
(noun) greep, pak
Voorbeeld:
(noun) stoot, klap, perforator;
(verb) slaan, stompen, ponsen
Voorbeeld:
(verb) schudden, trillen, schokken;
(noun) schudden, trilling
Voorbeeld:
(verb) buigen, plooien, zwichten;
(noun) bocht, kromming
Voorbeeld:
(noun) strik, lus, boog;
(verb) buigen, neigen, krommen
Voorbeeld:
(verb) leunen, hellen, leunen op;
(adjective) slank, mager, schaars
Voorbeeld:
(verb) hangen, slungelen;
(noun) hangende houding, slungelige houding, slungel
Voorbeeld:
(verb) knielen
Voorbeeld:
(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;
(noun) sprong, beweging
Voorbeeld:
(verb) op je tenen lopen, sluipen;
(adverb) op de tenen
Voorbeeld:
(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;
(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang
Voorbeeld:
(phrasal verb) gaan liggen, neerleggen, zich neerleggen bij
Voorbeeld:
(verb) knipperen, oogleden sluiten en openen, flitsen;
(noun) knipper, oogopslag
Voorbeeld:
(verb) staren, blik;
(noun) blik, staar
Voorbeeld:
(verb) knijpen, scheel kijken;
(noun) oogopslag, scheelzien, scheelstand
Voorbeeld:
(verb) staren, aangapen;
(noun) blik, staar
Voorbeeld:
(verb) knipogen, knipperen, fonkelen;
(noun) knipoog
Voorbeeld:
(verb) grinniken, grijnzen;
(noun) grinnik, grijns
Voorbeeld:
(verb) giechelen, grinniken;
(noun) giechel, grinnik
Voorbeeld:
(noun) grijns, zelfgenoegzame glimlach;
(verb) grijnzen, zelfgenoegzaam glimlachen
Voorbeeld:
(verb) marcheren, lopen, gaan;
(noun) mars, optocht, maart
Voorbeeld:
(noun) knik;
(verb) knikken, dommelen, wegzakken
Voorbeeld:
(noun) pas, stap, tempo;
(verb) ijlen, wandelen, afmeten
Voorbeeld:
(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;
(verb) struikelen, vallen, reizen
Voorbeeld:
(verb) hurken, bukken;
(noun) hurk, buk
Voorbeeld: