Vocabulaireverzameling A2 - Modale en andere werkwoorden in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Modale en andere werkwoorden' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;
(noun) blik, blikje;
(verb) inblikken, conserveren
Voorbeeld:
(modal verb) kunnen, mogen, wens;
(noun) mei
Voorbeeld:
(modal verb) moeten, vast en zeker;
(noun) vereiste, must
Voorbeeld:
(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;
(noun) wil, wilskracht, testament;
(verb) vermaken, nalaten
Voorbeeld:
(modal verb) kon, zou kunnen, kan
Voorbeeld:
(modal verb) zou kunnen, misschien;
(noun) kracht, macht
Voorbeeld:
(modal verb) zou
Voorbeeld:
(modal verb) zou moeten, dienen, waarschijnlijk
Voorbeeld:
(adjective) gewend aan;
(modal verb) vroeger, gewoonlijk
Voorbeeld:
(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn;
(adjective) gemeen, vals, gierig;
(noun) gemiddelde
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(verb) dragen, vervoeren, bezitten;
(noun) bereik, vlucht
Voorbeeld:
(verb) houden, behouden, blijven;
(noun) donjon, burcht
Voorbeeld:
(verb) wachten, klaarstaan;
(noun) wachttijd, wacht
Voorbeeld:
(verb) vergelijken, vergelijken met, opwegen tegen
Voorbeeld:
(verb) verbeteren, vooruitgaan
Voorbeeld:
(verb) proberen, uitproberen, testen;
(noun) poging, proef
Voorbeeld:
(verb) voorkeur geven aan, verkiezen
Voorbeeld:
(verb) herhalen, overdoen;
(noun) herhaling, reprise
Voorbeeld:
(verb) volgen, opvolgen, naleven;
(noun) aanhang, volgers
Voorbeeld:
(verb) toestaan, toelaten, mogelijk maken
Voorbeeld:
(verb) opschieten, zich haasten, bespoedigen;
(noun) haast, spoed
Voorbeeld:
(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;
(noun) telling, aantal, aanklacht
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(adjective) compleet, volledig, totaal;
(verb) voltooien, afmaken
Voorbeeld:
(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;
(noun) keuze, selectie, houweel
Voorbeeld:
(noun) druppel, daling, val;
(verb) laten vallen, neerlaten, dalen
Voorbeeld:
(verb) verminderen, reduceren, verlagen
Voorbeeld:
(verb) doorgaan, voortzetten, hervatten
Voorbeeld:
(verb) blijven, verblijven, voortduren;
(noun) verblijf, logeerpartij
Voorbeeld:
(noun) punt, uiteinde, plaats;
(verb) wijzen, aanduiden, richten
Voorbeeld:
(verb) binnengaan, ingaan, invoeren
Voorbeeld:
(verb) weigeren, afwijzen;
(noun) afval, vuilnis
Voorbeeld:
(verb) terugkeren, teruggaan, terugbrengen;
(noun) terugkeer, terugzending, rendement
Voorbeeld:
(modal verb) moeten, hoeven, vast en zeker
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld: