Avatar of Vocabulary Set A2 - Modale en andere werkwoorden

Vocabulaireverzameling A2 - Modale en andere werkwoorden in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Modale en andere werkwoorden' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

can

/kæn/

(modal verb) kunnen, mogelijk zijn, mogen;

(noun) blik, blikje;

(verb) inblikken, conserveren

Voorbeeld:

I can swim.
Ik kan zwemmen.

may

/meɪ/

(modal verb) kunnen, mogen, wens;

(noun) mei

Voorbeeld:

It may rain later.
Het kan later regenen.

must

/mʌst/

(modal verb) moeten, vast en zeker;

(noun) vereiste, must

Voorbeeld:

You must finish your homework before you can play.
Je moet je huiswerk afmaken voordat je kunt spelen.

will

/wɪl/

(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;

(noun) wil, wilskracht, testament;

(verb) vermaken, nalaten

Voorbeeld:

I will be there by 5 PM.
Ik zal er om 17.00 uur zijn.

could

/kʊd/

(modal verb) kon, zou kunnen, kan

Voorbeeld:

She could run very fast when she was younger.
Ze kon heel snel rennen toen ze jonger was.

might

/maɪt/

(modal verb) zou kunnen, misschien;

(noun) kracht, macht

Voorbeeld:

It might rain later.
Het zou kunnen regenen later.

would

/wʊd/

(modal verb) zou

Voorbeeld:

He said he would be here by noon.
Hij zei dat hij er zou zijn tegen de middag.

should

/ʃʊd/

(modal verb) zou moeten, dienen, waarschijnlijk

Voorbeeld:

You should apologize for your behavior.
Je zou je moeten verontschuldigen voor je gedrag.

used to

/juːst tə/

(adjective) gewend aan;

(modal verb) vroeger, gewoonlijk

Voorbeeld:

I'm used to waking up early.
Ik ben gewend aan vroeg opstaan.

shall

/ʃæl/

(modal verb) zullen

Voorbeeld:

We shall overcome.
We zullen overwinnen.

mean

/miːn/

(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn;

(adjective) gemeen, vals, gierig;

(noun) gemiddelde

Voorbeeld:

What do you mean by that?
Wat bedoel je daarmee?

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

carry

/ˈker.i/

(verb) dragen, vervoeren, bezitten;

(noun) bereik, vlucht

Voorbeeld:

She helped him carry the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos dragen.

keep

/kiːp/

(verb) houden, behouden, blijven;

(noun) donjon, burcht

Voorbeeld:

You can keep the change.
Je mag het wisselgeld houden.

wait

/weɪt/

(verb) wachten, klaarstaan;

(noun) wachttijd, wacht

Voorbeeld:

I'll wait for you at the corner.
Ik zal op je wachten op de hoek.

compare

/kəmˈper/

(verb) vergelijken, vergelijken met, opwegen tegen

Voorbeeld:

Let's compare the two proposals and see which one is better.
Laten we de twee voorstellen vergelijken en kijken welke beter is.

improve

/ɪmˈpruːv/

(verb) verbeteren, vooruitgaan

Voorbeeld:

He wants to improve his English skills.
Hij wil zijn Engelse vaardigheden verbeteren.

try

/traɪ/

(verb) proberen, uitproberen, testen;

(noun) poging, proef

Voorbeeld:

I will try to finish the report by tomorrow.
Ik zal proberen het rapport morgen af te maken.

prefer

/prɪˈfɝː/

(verb) voorkeur geven aan, verkiezen

Voorbeeld:

I prefer coffee to tea.
Ik geef de voorkeur aan koffie boven thee.

repeat

/rɪˈpiːt/

(verb) herhalen, overdoen;

(noun) herhaling, reprise

Voorbeeld:

Could you please repeat that?
Kunt u dat alstublieft herhalen?

follow

/ˈfɑː.loʊ/

(verb) volgen, opvolgen, naleven;

(noun) aanhang, volgers

Voorbeeld:

The dog followed its owner everywhere.
De hond volgde zijn baasje overal.

allow

/əˈlaʊ/

(verb) toestaan, toelaten, mogelijk maken

Voorbeeld:

My parents don't allow me to stay out late.
Mijn ouders staan me niet toe om laat buiten te blijven.

hurry

/ˈhɝː.i/

(verb) opschieten, zich haasten, bespoedigen;

(noun) haast, spoed

Voorbeeld:

We need to hurry if we want to catch the train.
We moeten opschieten als we de trein willen halen.

count

/kaʊnt/

(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;

(noun) telling, aantal, aanklacht

Voorbeeld:

Can you count how many apples are in the basket?
Kun je tellen hoeveel appels er in de mand liggen?

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.

complete

/kəmˈpliːt/

(adjective) compleet, volledig, totaal;

(verb) voltooien, afmaken

Voorbeeld:

The puzzle is now complete.
De puzzel is nu compleet.

pick

/pɪk/

(verb) kiezen, uitkiezen, plukken;

(noun) keuze, selectie, houweel

Voorbeeld:

She had to pick a dress for the party.
Ze moest een jurk kiezen voor het feest.

drop

/drɑːp/

(noun) druppel, daling, val;

(verb) laten vallen, neerlaten, dalen

Voorbeeld:

A drop of rain fell on my nose.
Een druppel regen viel op mijn neus.

reduce

/rɪˈduːs/

(verb) verminderen, reduceren, verlagen

Voorbeeld:

We need to reduce our expenses.
We moeten onze uitgaven verminderen.

continue

/kənˈtɪn.juː/

(verb) doorgaan, voortzetten, hervatten

Voorbeeld:

He decided to continue his studies abroad.
Hij besloot zijn studies in het buitenland te voortzetten.

stay

/steɪ/

(verb) blijven, verblijven, voortduren;

(noun) verblijf, logeerpartij

Voorbeeld:

Please stay here until I return.
Blijf hier alstublieft totdat ik terugkom.

point

/pɔɪnt/

(noun) punt, uiteinde, plaats;

(verb) wijzen, aanduiden, richten

Voorbeeld:

The point of the knife was very sharp.
De punt van het mes was erg scherp.

enter

/ˈen.t̬ɚ/

(verb) binnengaan, ingaan, invoeren

Voorbeeld:

He entered the room quietly.
Hij ging de kamer stil binnen.

refuse

/rɪˈfjuːz/

(verb) weigeren, afwijzen;

(noun) afval, vuilnis

Voorbeeld:

He refused to answer any questions.
Hij weigerde alle vragen te beantwoorden.

return

/rɪˈtɝːn/

(verb) terugkeren, teruggaan, terugbrengen;

(noun) terugkeer, terugzending, rendement

Voorbeeld:

He decided to return to his hometown after many years.
Hij besloot na vele jaren naar zijn geboorteplaats terug te keren.

have to

/hæv tə/

(modal verb) moeten, hoeven, vast en zeker

Voorbeeld:

I have to go now.
Ik moet nu gaan.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland