Vocabulaireverzameling A2 - Kleuren en Vormen in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Kleuren en Vormen' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) duisternis, donker, kwaad
Voorbeeld:
(noun) helderheid, lichtsterkte, intelligentie
Voorbeeld:
(noun) lichtheid, helderheid, onbezorgdheid
Voorbeeld:
(adjective) gouden, goudkleurig, goudgeel
Voorbeeld:
(noun) goud, goudkleur;
(adjective) gouden, goudkleurig, goud
Voorbeeld:
(noun) zilver, zilvergeld;
(adjective) zilver, zilverkleurig;
(verb) verziveren, met zilver bedekken
Voorbeeld:
(adjective) licht, bleek;
(verb) verbleken, in het niet vallen;
(noun) grens, omheining
Voorbeeld:
(adjective) helder, fel, licht;
(adverb) helder, fel
Voorbeeld:
(adjective) kleurrijk, bont, levendig
Voorbeeld:
(adjective) gekleurd, van kleur;
(past participle) gekleurd, geverfd
Voorbeeld:
(noun) room, slagroom, crème;
(verb) kloppen, purere;
(adjective) crèmekleurig, roomkleurig
Voorbeeld:
(noun) vorm, gestalte, structuur;
(verb) vormen, modelleren
Voorbeeld:
(noun) midden, centrum, faciliteit;
(verb) centreren, in het midden plaatsen
Voorbeeld:
(noun) cirkel, kring, groep;
(verb) cirkelen, rondgaan, omcirkelen
Voorbeeld:
(noun) kruis, kruising, hybride;
(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;
(adjective) boos, geïrriteerd
Voorbeeld:
(noun) vierkant, plein, kwadraat;
(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;
(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;
(adverb) recht, precies
Voorbeeld:
(noun) diamant, ruit, diamantvorm
Voorbeeld:
(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;
(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;
(adjective) uitstekend, uitmuntend
Voorbeeld:
(noun) lijn, rij, wachtrij;
(verb) in de rij staan, bekleden, voeren
Voorbeeld:
(noun) stip, punt;
(verb) stippen, aanstippen
Voorbeeld:
(noun) kant, zijde, aspect;
(adjective) zijdelings, zij-;
(verb) kant kiezen, bekleden
Voorbeeld:
(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;
(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren
Voorbeeld:
(adjective) recht, steil, eerlijk;
(adverb) recht, rechtdoor, direct;
(noun) recht stuk, rechte lijn
Voorbeeld:
(adjective) vlak, plat, dun;
(noun) appartement, flat;
(adverb) plat, horizontaal
Voorbeeld:
(adjective) rond, volledig;
(noun) ronde, schot, kogel;
(verb) rondgaan, afronden;
(adverb) rond, omheen;
(preposition) rond, om
Voorbeeld:
(verb) tekenen, trekken, aantrekken;
(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(noun) kleur, pigment, verf;
(verb) kleuren, verven
Voorbeeld:
(adjective) heel, geheel, intact;
(noun) geheel, totaliteit;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(noun) verf;
(verb) verven, schilderen
Voorbeeld: