Avatar of Vocabulary Set A2 - Kleuren en Vormen

Vocabulaireverzameling A2 - Kleuren en Vormen in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Kleuren en Vormen' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

darkness

/ˈdɑːrk.nəs/

(noun) duisternis, donker, kwaad

Voorbeeld:

The room was plunged into complete darkness when the power went out.
De kamer werd in complete duisternis gedompeld toen de stroom uitviel.

brightness

/ˈbraɪt.nəs/

(noun) helderheid, lichtsterkte, intelligentie

Voorbeeld:

The brightness of the sun made it hard to see.
De helderheid van de zon maakte het moeilijk om te zien.

lightness

/ˈlaɪt.nəs/

(noun) lichtheid, helderheid, onbezorgdheid

Voorbeeld:

The lightness of the new material makes it ideal for aircraft construction.
De lichtheid van het nieuwe materiaal maakt het ideaal voor vliegtuigbouw.

golden

/ˈɡoʊl.dən/

(adjective) gouden, goudkleurig, goudgeel

Voorbeeld:

She wore a beautiful golden necklace.
Ze droeg een prachtige gouden ketting.

gold

/ɡoʊld/

(noun) goud, goudkleur;

(adjective) gouden, goudkleurig, goud

Voorbeeld:

The ring is made of pure gold.
De ring is gemaakt van puur goud.

silver

/ˈsɪl.vɚ/

(noun) zilver, zilvergeld;

(adjective) zilver, zilverkleurig;

(verb) verziveren, met zilver bedekken

Voorbeeld:

The ring is made of pure silver.
De ring is gemaakt van puur zilver.

pale

/peɪl/

(adjective) licht, bleek;

(verb) verbleken, in het niet vallen;

(noun) grens, omheining

Voorbeeld:

She wore a dress of pale blue.
Ze droeg een jurk van lichtblauw.

bright

/braɪt/

(adjective) helder, fel, licht;

(adverb) helder, fel

Voorbeeld:

The sun was so bright that I had to put on my sunglasses.
De zon was zo fel dat ik mijn zonnebril moest opzetten.

colorful

/ˈkʌl.ɚ.fəl/

(adjective) kleurrijk, bont, levendig

Voorbeeld:

The parrot has beautiful colorful feathers.
De papegaai heeft prachtige kleurrijke veren.

colored

/ˈkʌl.ɚd/

(adjective) gekleurd, van kleur;

(past participle) gekleurd, geverfd

Voorbeeld:

The children used colored pencils to draw.
De kinderen gebruikten gekleurde potloden om te tekenen.

cream

/kriːm/

(noun) room, slagroom, crème;

(verb) kloppen, purere;

(adjective) crèmekleurig, roomkleurig

Voorbeeld:

She poured cream into her coffee.
Ze schonk room in haar koffie.

shape

/ʃeɪp/

(noun) vorm, gestalte, structuur;

(verb) vormen, modelleren

Voorbeeld:

The artist molded the clay into a beautiful shape.
De kunstenaar vormde de klei tot een prachtige vorm.

center

/ˈsen.t̬ɚ/

(noun) midden, centrum, faciliteit;

(verb) centreren, in het midden plaatsen

Voorbeeld:

The table is in the center of the room.
De tafel staat in het midden van de kamer.

circle

/ˈsɝː.kəl/

(noun) cirkel, kring, groep;

(verb) cirkelen, rondgaan, omcirkelen

Voorbeeld:

Draw a circle on the paper.
Teken een cirkel op het papier.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

square

/skwer/

(noun) vierkant, plein, kwadraat;

(adjective) vierkant, eerlijk, rechtvaardig;

(verb) kwadrateren, rechtmaken, uitlijnen;

(adverb) recht, precies

Voorbeeld:

Draw a perfect square on the paper.
Teken een perfect vierkant op het papier.

diamond

/ˈdaɪ.ə.mənd/

(noun) diamant, ruit, diamantvorm

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond necklace.
Ze droeg een prachtige diamanten ketting.

star

/stɑːr/

(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;

(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;

(adjective) uitstekend, uitmuntend

Voorbeeld:

The night sky was filled with twinkling stars.
De nachtelijke hemel was gevuld met fonkelende sterren.

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.

dot

/dɑːt/

(noun) stip, punt;

(verb) stippen, aanstippen

Voorbeeld:

There's a small red dot on the map indicating our location.
Er is een kleine rode stip op de kaart die onze locatie aangeeft.

side

/saɪd/

(noun) kant, zijde, aspect;

(adjective) zijdelings, zij-;

(verb) kant kiezen, bekleden

Voorbeeld:

He stood by her side.
Hij stond aan haar zijde.

surface

/ˈsɝː-/

(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;

(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren

Voorbeeld:

The surface of the table was smooth.
Het oppervlak van de tafel was glad.

straight

/streɪt/

(adjective) recht, steil, eerlijk;

(adverb) recht, rechtdoor, direct;

(noun) recht stuk, rechte lijn

Voorbeeld:

Draw a straight line across the page.
Trek een rechte lijn over de pagina.

flat

/flæt/

(adjective) vlak, plat, dun;

(noun) appartement, flat;

(adverb) plat, horizontaal

Voorbeeld:

The road was long and flat.
De weg was lang en vlak.

round

/raʊnd/

(adjective) rond, volledig;

(noun) ronde, schot, kogel;

(verb) rondgaan, afronden;

(adverb) rond, omheen;

(preposition) rond, om

Voorbeeld:

The table is round.
De tafel is rond.

draw

/drɑː/

(verb) tekenen, trekken, aantrekken;

(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht

Voorbeeld:

She likes to draw animals.
Ze houdt ervan om dieren te tekenen.

color

/ˈkʌl.ɚ/

(noun) kleur, pigment, verf;

(verb) kleuren, verven

Voorbeeld:

Red is my favorite color.
Rood is mijn favoriete kleur.

whole

/hoʊl/

(adjective) heel, geheel, intact;

(noun) geheel, totaliteit;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

He ate the whole cake by himself.
Hij at de hele taart in zijn eentje op.

paint

/peɪnt/

(noun) verf;

(verb) verven, schilderen

Voorbeeld:

The walls were covered in fresh white paint.
De muren waren bedekt met verse witte verf.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland