Vocabulaireverzameling A1 - Tegengestelde Bijvoeglijke Naamwoorden in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Tegengestelde Bijvoeglijke Naamwoorden' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) goed, leuk, aangenaam;
(adverb) goed;
(noun) het goede, welzijn;
(exclamation) goed
Voorbeeld:
(adjective) slecht, onaangenaam, ernstig;
(adverb) slecht, beroerd
Voorbeeld:
(adjective) hoog, maximaal, belangrijk;
(adverb) hoog;
(noun) hoogtepunt, record
Voorbeeld:
(adjective) laag, weinig, neerslachtig;
(adverb) laag;
(noun) laagtepunt, minimum;
(verb) loeien
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;
(adverb) grootspraak, arrogant
Voorbeeld:
(adjective) klein, onbelangrijk;
(adverb) klein, fijn
Voorbeeld:
(adjective) zwaar, intens, diep;
(adverb) hevig, zwaar
Voorbeeld:
(noun) licht, lamp, lichtbron;
(verb) aansteken, verlichten;
(adjective) licht
Voorbeeld:
(adjective) duur, kostbaar
Voorbeeld:
(adjective) goedkoop, prullerig, gierig;
(adverb) goedkoop, voordelig
Voorbeeld:
(adjective) oud, voormalig, ouwe
Voorbeeld:
(adjective) nieuw, onbekend;
(adverb) vers, recentelijk
Voorbeeld:
(adjective) mooi, prachtig
Voorbeeld:
(adjective) lelijk, onaangenaam
Voorbeeld:
(adjective) schoon, rein, zuiver;
(verb) schoonmaken, reinigen;
(adverb) schoon, helemaal
Voorbeeld:
(adjective) vuil, vies, oneerlijk;
(verb) vuil maken, bevuilen
Voorbeeld:
(adjective) moeilijk, lastig, problematisch
Voorbeeld:
(adjective) gemakkelijk, eenvoudig, ontspannen;
(adverb) gemakkelijk, eenvoudig;
(exclamation) rustig, voorzichtig
Voorbeeld:
(adjective) snel, vlug, vast;
(adverb) snel, stevig, vast;
(verb) vasten;
(noun) vasten
Voorbeeld:
(adjective) snel, vlug, kort;
(adverb) snel, vlug
Voorbeeld:
(adjective) langzaam, traag, dom;
(adverb) langzaam;
(verb) vertragen, afremmen
Voorbeeld:
(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk
Voorbeeld:
(adjective) vergelijkbaar, gelijksoortig
Voorbeeld:
(adjective) juist, correct, rechts;
(adverb) rechts, meteen, direct;
(noun) recht, rechten, rechts;
(verb) rechtop zetten, corrigeren;
(interjection) oké, toch
Voorbeeld:
(adjective) fout, verkeerd, onjuist;
(adverb) verkeerd, fout;
(noun) fout, onrecht;
(verb) onrecht aandoen, benadelen
Voorbeeld:
(adjective) open, geopend, onbedekt;
(verb) openen, beginnen;
(adverb) open;
(noun) open ruimte, buitenlucht
Voorbeeld:
(adjective) gesloten, dicht, afgesloten;
(past participle) gesloten, afgesloten
Voorbeeld:
(adjective) waar, echt, trouw;
(adverb) nauwkeurig, precies
Voorbeeld:
(adjective) onwaar, vals, fout;
(adverb) fout, onjuist
Voorbeeld:
(adjective) rijk, welvarend, vol;
(noun) de rijken, welgestelden
Voorbeeld:
(adjective) arm, behoeftig, zielig
Voorbeeld: