Vocabulaireverzameling Acteren in Bioscoop en Theater: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Acteren' in 'Bioscoop en Theater' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) acteur
Voorbeeld:
(noun) actrice
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) karakteracteur
Voorbeeld:
(noun) hoofdrolspeler, leading man
Voorbeeld:
(noun) hoofdrolspeelster, leading lady
Voorbeeld:
(noun) ham, radioamateur, zendamateur;
(verb) overacteren, overdrijven
Voorbeeld:
(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;
(verb) leiden, gidsen, aanvoeren
Voorbeeld:
(noun) bijrolspeler, ondersteunende acteur
Voorbeeld:
(noun) stemacteur, stemactrice
Voorbeeld:
(noun) bijrol, figurantenrol
Voorbeeld:
(noun) stand-in, dubbelganger
Voorbeeld:
(noun) ster, beroemdheid, sterfiguur;
(verb) de hoofdrol spelen, schitteren;
(adjective) uitstekend, uitmuntend
Voorbeeld:
(noun) sterretje, jonge actrice
Voorbeeld:
(noun) tragedian, treurspeler, treurspeldichter
Voorbeeld:
(noun) understudy, dubbelrol;
(verb) understudyen, instuderen als understudy
Voorbeeld:
(noun) figurantenrol, bijrol, walk-on;
(adjective) figuranten, bijrol
Voorbeeld:
(noun) camee, cameo, gastrol
Voorbeeld:
(noun) co-ster, medespeler;
(verb) co-sterren, samen de hoofdrol spelen
Voorbeeld:
(adjective) extra, aanvullend;
(adverb) extra, buitengewoon;
(noun) extra, toeslag
Voorbeeld:
(noun) deel, stuk, rol;
(verb) scheiden, uiteengaan;
(adverb) deels, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(noun) rol, functie
Voorbeeld:
(noun) titelrol
Voorbeeld:
(noun) schurk, slechterik, dader
Voorbeeld:
(noun) lijn, rij, wachtrij;
(verb) in de rij staan, bekleden, voeren
Voorbeeld:
(noun) aanwijzing, signaal, keu;
(verb) een teken geven, aanwijzen
Voorbeeld:
(adjective) snel, prompt, onmiddellijk;
(noun) aanzet, aanwijzing, prompt;
(verb) aanzetten, aanmoedigen, uitlokken
Voorbeeld:
(noun) toneelaanwijzing, regieaanwijzing
Voorbeeld:
(noun) gieten, gietwerk, casting;
(verb) werpen, gooien
Voorbeeld:
(noun) screentest, filmproef
Voorbeeld:
(verb) handelen, doen, acteren;
(noun) daad, handeling, wet
Voorbeeld:
(noun) slechterik, booswicht
Voorbeeld:
(adverb) opzij, terzijde, apart;
(noun) terzijde, aparté
Voorbeeld:
(noun) protagonist, hoofdpersoon, voorstander
Voorbeeld:
(noun) dialoog, gesprek, overleg;
(verb) dialogeren, overleggen
Voorbeeld:
(noun) uitgang, uitrit, vertrek;
(verb) verlaten, uitgaan
Voorbeeld:
(noun) lekkernij, traktatie, braverik
Voorbeeld:
(noun) held, hoofdpersoon
Voorbeeld:
(noun) heldin, hoofdrolspeelster
Voorbeeld:
(noun) monoloog, alleenspraak
Voorbeeld:
(noun) superheld
Voorbeeld:
(noun) karakter, aard, personage
Voorbeeld:
(noun) acteur-manager
Voorbeeld:
(verb) werpen, gooien, uitbrengen;
(noun) cast, rolbezetting, gietstuk
Voorbeeld:
(noun) matinee-idool, filmster
Voorbeeld:
(noun) filmster
Voorbeeld:
(noun) speler, afspeelapparaat, muzikant
Voorbeeld:
(noun) stuntman, stuntvrouw
Voorbeeld:
(noun) stuntvrouw
Voorbeeld:
(noun) acteur, lid van een theatergezelschap, doorzetter
Voorbeeld:
(noun) persagent, publiciteitsagent
Voorbeeld:
(noun) monoloog, alleenspraak, langdradige toespraak
Voorbeeld:
(verb) ad libben, improviseren;
(noun) ad lib, improvisatie;
(adverb) ad lib, geïmproviseerd
Voorbeeld:
(noun) karakterisering, typering, beschrijving
Voorbeeld: