Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 21 - Bedrijfscompetitie: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 21 - Bedrijfscompetitie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) aankondigen, bekendmaken, melden
Voorbeeld:
(adjective) geïnteresseerd, belanghebbend
Voorbeeld:
(adjective) actief, energiek, van kracht
Voorbeeld:
(verb) accepteren, aannemen, instemmen met
Voorbeeld:
(verb) voorzien, voorspellen
Voorbeeld:
(noun) expansie, uitbreiding, vergroting
Voorbeeld:
(verb) verhuizen, verplaatsen
Voorbeeld:
(noun) concurrent, deelnemer
Voorbeeld:
(noun) aanwinst, troef, activa
Voorbeeld:
(verb) bijdragen, schenken, bijdragen aan
Voorbeeld:
(adjective) toegewijd, devoot, bestemd
Voorbeeld:
(verb) verplaatsen, kwijtraken
Voorbeeld:
(adjective) aanzienlijk, flink
Voorbeeld:
(adjective) laatste, meest recente;
(adverb) laatst, voor het laatst;
(verb) duren, meegaan, blijven bestaan
Voorbeeld:
(verb) tevoorschijn komen, opduiken, bekend worden
Voorbeeld:
(verb) groeien, toenemen, verbouwen
Voorbeeld:
(verb) kiezen, selecteren;
(adjective) select, uitgekozen
Voorbeeld:
(verb) fuseren, samenvoegen, verenigen
Voorbeeld:
(verb) impliceren, suggereren, inhouden
Voorbeeld:
(adjective) vitaal, essentieel, cruciaal
Voorbeeld:
(verb) volhouden, doorzetten, aanhouden
Voorbeeld:
(adjective) onafhankelijk, zelfstandig, afzonderlijk;
(noun) onafhankelijke, zelfstandige
Voorbeeld:
(noun) kracht, energie, geweld;
(verb) dwingen, forceren
Voorbeeld:
(verb) oprichten, vestigen, vaststellen
Voorbeeld:
(verb) beginnen, starten, initiëren;
(noun) ingewijde, nieuweling, beginneling
Voorbeeld:
(verb) verbeteren, vergroten, versterken
Voorbeeld:
(adjective) gerenommeerd, vermaard
Voorbeeld:
(adjective) geïnformeerd, op de hoogte
Voorbeeld:
(plural noun) minuten, notulen, verslag
Voorbeeld:
(verb) afzien van, kwijtschelden, verwerpen
Voorbeeld:
(verb) reiken, bereiken, aankomen;
(noun) bereik, reikwijdte, toegang
Voorbeeld:
(noun) autoriteit, bevoegdheid, overheid
Voorbeeld:
(verb) verwerven, verkrijgen, aanschaffen
Voorbeeld:
(verb) overtreffen, overstijgen
Voorbeeld:
(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld:
(adjective) onwaarschijnlijk
Voorbeeld:
(noun) rand, kant, snijkant;
(verb) omzomen, afboorden, schuifelen
Voorbeeld:
(adverb) tegelijkertijd, simultaan
Voorbeeld:
(verb) onthullen, bekendmaken, tonen
Voorbeeld:
(noun) productiviteit, doelmatigheid
Voorbeeld:
(adjective) onzeker, onbepaald, twijfelachtig
Voorbeeld:
(adjective) vooraanstaand, leidend, eerste;
(noun) premier;
(verb) in première gaan, voor het eerst vertonen
Voorbeeld: