Vocabulaireverzameling Oorzaak en gevolg in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oorzaak en gevolg' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) trekker, ontspanner, trigger;
(verb) activeren, veroorzaken, uitlokken
Voorbeeld:
(noun) wortel, oorzaak, grondslag;
(verb) wortelen, zich vestigen, doen wortelen
Voorbeeld:
(noun) uitkomst, resultaat, gevolg
Voorbeeld:
(noun) resultaat, gevolg, uitslag;
(verb) resulteren in, voortvloeien uit
Voorbeeld:
(verb) optillen, verhogen, vergroten;
(noun) salarisverhoging, loonsverhoging
Voorbeeld:
(phrasal verb) voortkomen uit, afstammen van
Voorbeeld:
(adjective) verantwoordelijk, verantwoordelijk voor, oorzaak van
Voorbeeld:
(noun) bijwerking, neveneffect, onbedoeld gevolg
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk, significant, opmerkelijk
Voorbeeld:
(adverb) dus, daarom, zodoende
Voorbeeld:
(noun) golf, stroom, stijging;
(verb) stromen, golven, stijgen
Voorbeeld:
(noun) raket, rucola;
(verb) omhoogschieten, snel stijgen
Voorbeeld:
(verb) duiken, storten, dalen;
(noun) daling, duik
Voorbeeld:
(verb) verlagen, neerlaten, verminderen;
(adjective) lager, minder hoog
Voorbeeld:
(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;
(noun) producten, landbouwproducten
Voorbeeld:
(noun) product, artikel, uitkomst
Voorbeeld:
(adjective) ineffectief, ondoelmatig
Voorbeeld:
(adverb) steeds, meer en meer
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, schieten;
(noun) sprong, hup, stijging
Voorbeeld:
(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;
(noun) sprong, beweging
Voorbeeld:
(noun) implicatie, gevolgtrekking, strekking
Voorbeeld:
(verb) vermenigvuldigen, toenemen
Voorbeeld:
(adverb) vandaar, daarom, dus
Voorbeeld:
(verb) weigeren, afwijzen, dalen;
(noun) daling, afname, neergang
Voorbeeld:
(adverb) effectief, doeltreffend, feitelijk
Voorbeeld:
(noun) bijdrage, schenking, aandeel
Voorbeeld:
(adverb) bijgevolg, daardoor, zodoende
Voorbeeld:
(noun) gevolg, consequentie, belang
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(verb) verkrijgen, winnen, opdoen;
(noun) winst, voordeel, toename
Voorbeeld:
(adjective) volgend, daaropvolgend;
(noun) aanhang, volgers, publiek;
(preposition) na, volgend op
Voorbeeld:
(verb) ontstaan, opkomen, opstaan
Voorbeeld:
(adjective) oorzakelijk
Voorbeeld:
(verb) klimmen, stijgen, moeizaam klimmen;
(noun) klim, beklimming
Voorbeeld:
(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;
(noun) impuls, stimulans
Voorbeeld: