Vocabulaireverzameling Conflict en naleving in SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Conflict en naleving' in 'SAT-woordenschat gerelateerd aan de geesteswetenschappen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) wedstrijd, competitie;
(verb) aanvechten, betwisten, strijden om
Voorbeeld:
(noun) protest, bezwaar;
(verb) protesteren, bezwaar maken
Voorbeeld:
(noun) uitdaging, uitnodiging tot strijd, moeilijkheid;
(verb) uitdagen, betwisten, in twijfel trekken
Voorbeeld:
(noun) gevecht, strijd;
(verb) bestrijden, vechten tegen
Voorbeeld:
(noun) conflict, ruzie, geschil;
(verb) botsen, conflicteren, strijden
Voorbeeld:
(noun) vete, ruzie, geschil;
(verb) ruziemaken, twisten, vechten
Voorbeeld:
(verb) binnenvallen, invaseren, binnendringen
Voorbeeld:
(verb) opleggen, afdwingen, misbruik maken van
Voorbeeld:
(verb) toebrengen, veroorzaken
Voorbeeld:
(verb) dwingen, afdwingen, coërceren
Voorbeeld:
(noun) worsteling, gevecht, ruzie;
(verb) worstelen, vechten, ruziemaken
Voorbeeld:
(noun) staaf, balk, spijl;
(verb) versperren, verbieden, uitsluiten
Voorbeeld:
(verb) ontvoeren, schaken, abduceren
Voorbeeld:
(verb) omverwerpen, kapseizen, omgooien
Voorbeeld:
(verb) ondermijnen, omverwerpen
Voorbeeld:
(verb) vervolgen, lastigvallen, bestoken
Voorbeeld:
(verb) samenzweren, konspireren, samenspannen
Voorbeeld:
(verb) beperken, inperken, bedwingen
Voorbeeld:
(verb) aanvallen, bestormen
Voorbeeld:
(verb) overmeesteren, overweldigen, overheersen
Voorbeeld:
(verb) trotseren, weigeren te gehoorzamen, tarten
Voorbeeld:
(noun) campagne, militaire operatie, actie;
(verb) campagne voeren, actie voeren
Voorbeeld:
(noun) tegenstander, vijand
Voorbeeld:
(noun) aanval, mishandeling, poging;
(verb) aanvallen, mishandelen
Voorbeeld:
(noun) bewapening, wapens, uitrusting
Voorbeeld:
(noun) aanval, bestorming, stroom
Voorbeeld:
(noun) onenigheid, verdeeldheid, dissensie
Voorbeeld:
(noun) vijandigheid, hostiliteit, vijandelijkheden
Voorbeeld:
(noun) aartsvijand, nemesis, ondergang
Voorbeeld:
(noun) onenigheid, geschil, twist
Voorbeeld:
(noun) inval, incursie, inmenging
Voorbeeld:
(noun) fort, vesting, burcht
Voorbeeld:
(noun) confrontatie, botsing, blootstelling
Voorbeeld:
(noun) aanval, inval, razzia;
(verb) overvallen, binnenvallen, plunderen
Voorbeeld:
(adjective) weerloos, onbeschermd
Voorbeeld:
(adjective) ongehoorzaam
Voorbeeld:
(adjective) strijdlustig, agressief, vechtlustig
Voorbeeld:
(adverb) met geweld, geforceerd, krachtig
Voorbeeld:
(verb) sussen, kalmeren, bevredigen
Voorbeeld:
(verb) voldoen aan, gehoorzamen
Voorbeeld:
(verb) verdragen, uitstaan, blijven
Voorbeeld:
(verb) hechten, kleven, zich houden aan
Voorbeeld:
(verb) omhelzen, omarmen, accepteren;
(noun) omhelzing, omarming
Voorbeeld:
(noun) resolutie, voornemen, oplossing
Voorbeeld:
(noun) verzoening, afstemming, vergelijking
Voorbeeld:
(noun) compromis, schikking, aantasting;
(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten
Voorbeeld:
(adjective) onderdanig, gehoorzaam, dociel
Voorbeeld: