Vocabulaireverzameling B1 - Letter E in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter E' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) aardbeving
Voorbeeld:
(adjective) oostelijk, Oosters
Voorbeeld:
(adjective) economisch, zuinig, voordelig
Voorbeeld:
(noun) economie, zuinigheid, besparing
Voorbeeld:
(noun) rand, kant, snijkant;
(verb) omzomen, afboorden, schuifelen
Voorbeeld:
(noun) redacteur, bewerker
Voorbeeld:
(verb) onderwijzen, opleiden
Voorbeeld:
(adjective) opgeleid, geschoold, ontwikkeld;
(past participle) opgeleid, geschoold
Voorbeeld:
(adjective) educatief, onderwijskundig, leerzaam
Voorbeeld:
(adjective) effectief, doeltreffend, van kracht
Voorbeeld:
(adverb) effectief, doeltreffend, feitelijk
Voorbeeld:
(noun) inspanning, moeite, prestatie
Voorbeeld:
(noun) verkiezing, keuze, selectie
Voorbeeld:
(noun) element, onderdeel, scheikundig element
Voorbeeld:
(adjective) beschaamd, verlegen
Voorbeeld:
(adjective) genant, beschamend
Voorbeeld:
(noun) noodgeval, spoedgeval;
(adjective) nood, spoed
Voorbeeld:
(noun) emotie, gevoel
Voorbeeld:
(noun) werk, werkgelegenheid, tewerkstelling
Voorbeeld:
(adjective) leeg, zinloos;
(verb) legen, leegmaken
Voorbeeld:
(verb) aanmoedigen, stimuleren, bevorderen
Voorbeeld:
(noun) vijand, tegenstander
Voorbeeld:
(adjective) betrokken, bezig, verloofd
Voorbeeld:
(noun) techniek, ingenieurswetenschappen, ingenieurswerk
Voorbeeld:
(verb) vermaken, onderhouden, overwegen
Voorbeeld:
(noun) vermaak, amusement
Voorbeeld:
(noun) ingang, toegang, entree;
(verb) betoveren, fascineren
Voorbeeld:
(noun) toegang, ingang, vermelding
Voorbeeld:
(adjective) milieu-, ecologisch, omgevings-
Voorbeeld:
(noun) episode, gebeurtenis, voorval
Voorbeeld:
(adjective) gelijk, opgewassen tegen, capabel;
(noun) gelijke;
(verb) gelijk zijn aan, overeenkomen met
Voorbeeld:
(adverb) gelijkmatig, even, eerlijk
Voorbeeld:
(verb) ontsnappen, ontkomen, lekken;
(noun) ontsnapping, vlucht
Voorbeeld:
(adjective) essentieel, noodzakelijk, wezenlijk;
(noun) essentiële zaken, benodigdheden
Voorbeeld:
(adverb) uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(noun) examinandus, kandidaat
Voorbeeld:
(preposition) behalve, uitgezonderd;
(conjunction) behalve, tenzij;
(verb) uitzonderen, uitsluiten
Voorbeeld:
(noun) uitwisseling, ruil, beurs;
(verb) uitwisselen, ruilen
Voorbeeld:
(noun) opwinding, enthousiasme, sensatie
Voorbeeld:
(noun) tentoonstelling, expositie, uiting
Voorbeeld:
(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden
Voorbeeld:
(adjective) verwacht;
(past participle) verwachten
Voorbeeld:
(noun) expeditie, onderzoekstocht, spoed
Voorbeeld:
(noun) ervaring, belevenis;
(verb) ervaren, ondervinden
Voorbeeld:
(adjective) ervaren, deskundig
Voorbeeld:
(noun) experiment, proef, uitprobeersel;
(verb) experimenteren, uitproberen
Voorbeeld:
(verb) exploderen, ontploffen, uitbarsten
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) explosie, ontploffing, snelle toename
Voorbeeld:
(verb) exporteren, uitvoeren;
(noun) export, uitvoerproduct
Voorbeeld:
(adjective) extra, aanvullend;
(adverb) extra, buitengewoon;
(noun) extra, toeslag
Voorbeeld: