Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter E

Vocabulaireverzameling B1 - Letter E in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter E' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

earthquake

/ˈɝːθ.kweɪk/

(noun) aardbeving

Voorbeeld:

The city was devastated by a powerful earthquake.
De stad werd verwoest door een krachtige aardbeving.

eastern

/ˈiː.stɚn/

(adjective) oostelijk, Oosters

Voorbeeld:

The sun rises in the eastern sky.
De zon komt op aan de oostelijke hemel.

economic

/ˌiː.kəˈnɑː.mɪk/

(adjective) economisch, zuinig, voordelig

Voorbeeld:

The country is facing a severe economic crisis.
Het land staat voor een ernstige economische crisis.

economy

/iˈkɑː.nə.mi/

(noun) economie, zuinigheid, besparing

Voorbeeld:

The country's economy is growing rapidly.
De economie van het land groeit snel.

edge

/edʒ/

(noun) rand, kant, snijkant;

(verb) omzomen, afboorden, schuifelen

Voorbeeld:

She stood at the edge of the cliff.
Ze stond op de rand van de klif.

editor

/ˈed.ɪ.t̬ɚ/

(noun) redacteur, bewerker

Voorbeeld:

She works as the chief editor for a fashion magazine.
Zij werkt als hoofdredacteur voor een modemagazine.

educate

/ˈedʒ.ə.keɪt/

(verb) onderwijzen, opleiden

Voorbeeld:

It is important to educate children about healthy eating.
Het is belangrijk om kinderen te onderwijzen over gezond eten.

educated

/ˈedʒ.ə.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) opgeleid, geschoold, ontwikkeld;

(past participle) opgeleid, geschoold

Voorbeeld:

She is a highly educated woman with a doctorate degree.
Zij is een hoog opgeleide vrouw met een doctoraat.

educational

/ˌedʒ.əˈkeɪ.ʃən.əl/

(adjective) educatief, onderwijskundig, leerzaam

Voorbeeld:

The museum offers many educational programs for children.
Het museum biedt veel educatieve programma's voor kinderen.

effective

/əˈfek.tɪv/

(adjective) effectief, doeltreffend, van kracht

Voorbeeld:

The new policy proved to be very effective in reducing crime.
Het nieuwe beleid bleek zeer effectief in het verminderen van criminaliteit.

effectively

/əˈfek.tɪv.li/

(adverb) effectief, doeltreffend, feitelijk

Voorbeeld:

She managed to complete the task effectively and on time.
Ze slaagde erin de taak effectief en op tijd te voltooien.

effort

/ˈef.ɚt/

(noun) inspanning, moeite, prestatie

Voorbeeld:

He made a great effort to finish the race.
Hij deed een grote inspanning om de race te voltooien.

election

/ɪˈlek.ʃən/

(noun) verkiezing, keuze, selectie

Voorbeeld:

The general election will be held next month.
De algemene verkiezingen worden volgende maand gehouden.

element

/ˈel.ə.mənt/

(noun) element, onderdeel, scheikundig element

Voorbeeld:

Trust is a key element in any relationship.
Vertrouwen is een belangrijk element in elke relatie.

embarrassed

/ɪmˈber.əst/

(adjective) beschaamd, verlegen

Voorbeeld:

She felt deeply embarrassed by her mistake.
Ze voelde zich diep beschaamd door haar fout.

embarrassing

/ɪmˈber.ə.sɪŋ/

(adjective) genant, beschamend

Voorbeeld:

It was so embarrassing when I tripped in front of everyone.
Het was zo genant toen ik voor iedereen struikelde.

emergency

/ɪˈmɝː.dʒən.si/

(noun) noodgeval, spoedgeval;

(adjective) nood, spoed

Voorbeeld:

Call 911 in case of an emergency.
Bel 112 in geval van nood.

emotion

/ɪˈmoʊ.ʃən/

(noun) emotie, gevoel

Voorbeeld:

Joy is a powerful emotion.
Vreugde is een krachtige emotie.

employment

/ɪmˈplɔɪ.mənt/

(noun) werk, werkgelegenheid, tewerkstelling

Voorbeeld:

She is seeking full-time employment.
Ze zoekt voltijds werk.

empty

/ˈemp.ti/

(adjective) leeg, zinloos;

(verb) legen, leegmaken

Voorbeeld:

The box was completely empty.
De doos was helemaal leeg.

encourage

/ɪnˈkɝː.ɪdʒ/

(verb) aanmoedigen, stimuleren, bevorderen

Voorbeeld:

We encourage students to read widely.
Wij moedigen studenten aan om veel te lezen.

enemy

/ˈen.ə.mi/

(noun) vijand, tegenstander

Voorbeeld:

He made many enemies during his political career.
Hij maakte veel vijanden tijdens zijn politieke carrière.

engaged

/ɪnˈɡeɪdʒd/

(adjective) betrokken, bezig, verloofd

Voorbeeld:

She was deeply engaged in her research.
Ze was diep betrokken bij haar onderzoek.

engineering

/ˌen.dʒɪˈnɪr.ɪŋ/

(noun) techniek, ingenieurswetenschappen, ingenieurswerk

Voorbeeld:

She is studying civil engineering at university.
Ze studeert civiele techniek aan de universiteit.

entertain

/en.t̬ɚˈteɪn/

(verb) vermaken, onderhouden, overwegen

Voorbeeld:

He hired a clown to entertain the children.
Hij huurde een clown in om de kinderen te vermaken.

entertainment

/en.t̬ɚˈteɪn.mənt/

(noun) vermaak, amusement

Voorbeeld:

The concert provided great entertainment for everyone.
Het concert bood geweldig vermaak voor iedereen.

entrance

/ˈen.trəns/

(noun) ingang, toegang, entree;

(verb) betoveren, fascineren

Voorbeeld:

The main entrance to the building is on the north side.
De hoofdingang van het gebouw bevindt zich aan de noordzijde.

entry

/ˈen.tri/

(noun) toegang, ingang, vermelding

Voorbeeld:

The police forced an entry into the building.
De politie forceerde een toegang tot het gebouw.

environmental

/ɪnˌvaɪ.rəˈmen.t̬əl/

(adjective) milieu-, ecologisch, omgevings-

Voorbeeld:

The company is committed to reducing its environmental footprint.
Het bedrijf zet zich in om zijn milieuvoetafdruk te verkleinen.

episode

/ˈep.ə.soʊd/

(noun) episode, gebeurtenis, voorval

Voorbeeld:

The whole episode was a complete disaster.
De hele episode was een complete ramp.

equal

/ˈiː.kwəl/

(adjective) gelijk, opgewassen tegen, capabel;

(noun) gelijke;

(verb) gelijk zijn aan, overeenkomen met

Voorbeeld:

All men are created equal.
Alle mensen zijn gelijk geschapen.

equally

/ˈiː.kwə.li/

(adverb) gelijkmatig, even, eerlijk

Voorbeeld:

Divide the cake equally among all the children.
Verdeel de taart gelijkmatig onder alle kinderen.

escape

/ɪˈskeɪp/

(verb) ontsnappen, ontkomen, lekken;

(noun) ontsnapping, vlucht

Voorbeeld:

The prisoner managed to escape from jail.
De gevangene wist uit de gevangenis te ontsnappen.

essential

/ɪˈsen.ʃəl/

(adjective) essentieel, noodzakelijk, wezenlijk;

(noun) essentiële zaken, benodigdheden

Voorbeeld:

Water is essential for life.
Water is essentieel voor het leven.

eventually

/ɪˈven.tʃu.ə.li/

(adverb) uiteindelijk, tenslotte

Voorbeeld:

After years of hard work, she eventually achieved her dream.
Na jaren van hard werken bereikte ze uiteindelijk haar droom.

examinee

/ɪɡˌzæmb.əˈniː/

(noun) examinandus, kandidaat

Voorbeeld:

The examinee nervously waited for the results.
De examinandus wachtte nerveus op de resultaten.

except

/ɪkˈsept/

(preposition) behalve, uitgezonderd;

(conjunction) behalve, tenzij;

(verb) uitzonderen, uitsluiten

Voorbeeld:

Everyone went to the party except John.
Iedereen ging naar het feest behalve John.

exchange

/ɪksˈtʃeɪndʒ/

(noun) uitwisseling, ruil, beurs;

(verb) uitwisselen, ruilen

Voorbeeld:

We made an exchange of gifts.
We hebben een uitwisseling van cadeaus gedaan.

excitement

/ɪkˈsaɪt.mənt/

(noun) opwinding, enthousiasme, sensatie

Voorbeeld:

The children were filled with excitement as they opened their presents.
De kinderen waren vol opwinding toen ze hun cadeautjes openden.

exhibition

/ˌek.səˈbɪʃ.ən/

(noun) tentoonstelling, expositie, uiting

Voorbeeld:

The museum is hosting a new exhibition of ancient artifacts.
Het museum organiseert een nieuwe tentoonstelling van oude artefacten.

expand

/ɪkˈspænd/

(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden

Voorbeeld:

The business plans to expand into new markets next year.
Het bedrijf is van plan volgend jaar naar nieuwe markten te uitbreiden.

expected

/ɪkˈspek.tɪd/

(adjective) verwacht;

(past participle) verwachten

Voorbeeld:

The expected arrival time is 3 PM.
De verwachte aankomsttijd is 15.00 uur.

expedition

/ˌek.spəˈdɪʃ.ən/

(noun) expeditie, onderzoekstocht, spoed

Voorbeeld:

The scientific expedition to Antarctica lasted six months.
De wetenschappelijke expeditie naar Antarctica duurde zes maanden.

experience

/ɪkˈspɪr.i.əns/

(noun) ervaring, belevenis;

(verb) ervaren, ondervinden

Voorbeeld:

He has a lot of experience in teaching.
Hij heeft veel ervaring in het lesgeven.

experienced

/ɪkˈspɪr.i.ənst/

(adjective) ervaren, deskundig

Voorbeeld:

She is an experienced teacher with over 20 years in the classroom.
Zij is een ervaren lerares met meer dan 20 jaar ervaring in de klas.

experiment

/ɪkˈsper.ə.mənt/

(noun) experiment, proef, uitprobeersel;

(verb) experimenteren, uitproberen

Voorbeeld:

The scientists conducted an experiment to test their new theory.
De wetenschappers voerden een experiment uit om hun nieuwe theorie te testen.

explode

/ɪkˈsploʊd/

(verb) exploderen, ontploffen, uitbarsten

Voorbeeld:

The bomb was set to explode at midnight.
De bom stond ingesteld om om middernacht te exploderen.

explore

/ɪkˈsplɔːr/

(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken

Voorbeeld:

They set out to explore the Amazon rainforest.
Ze gingen op pad om het Amazone regenwoud te verkennen.

explosion

/ɪkˈsploʊ.ʒən/

(noun) explosie, ontploffing, snelle toename

Voorbeeld:

The building was severely damaged by the explosion.
Het gebouw raakte zwaar beschadigd door de explosie.

export

/ˈek.spɔːrt/

(verb) exporteren, uitvoeren;

(noun) export, uitvoerproduct

Voorbeeld:

The company plans to export its products to Europe.
Het bedrijf is van plan zijn producten naar Europa te exporteren.

extra

/ˈek.strə/

(adjective) extra, aanvullend;

(adverb) extra, buitengewoon;

(noun) extra, toeslag

Voorbeeld:

Do you need any extra help with your homework?
Heb je extra hulp nodig met je huiswerk?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland