Avatar of Vocabulary Set Top 1 - 25 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 1 - 25 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 1 - 25 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

be

/biː/

(verb) zijn, bestaan, worden;

(noun) wezen, bestaan

Voorbeeld:

I think, therefore I am.
Ik denk, dus ik ben.

have

/hæv/

(verb) hebben, bezitten, ervaren;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord

Voorbeeld:

I have a new car.
Ik heb een nieuwe auto.

do

/də/

(verb) doen, uitvoeren, voltooien;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;

(noun) feest, evenement, kapsel

Voorbeeld:

What are you going to do today?
Wat ga je vandaag doen?

get

/ɡet/

(verb) krijgen, verkrijgen, ontvangen;

(noun) opbrengst, vangst

Voorbeeld:

Did you get the mail today?
Heb je de post vandaag gekregen?

know

/noʊ/

(verb) weten, kennen, bekend zijn met

Voorbeeld:

I know the answer to that question.
Ik weet het antwoord op die vraag.

go

/ɡoʊ/

(verb) gaan, werken, functioneren;

(noun) poging, beurt;

(adjective) klaar, gereed;

(exclamation) gaan, kom op

Voorbeeld:

I need to go to the store.
Ik moet naar de winkel gaan.

say

/seɪ/

(verb) zeggen, uitspreken, betekenen;

(noun) zegje, inspraak

Voorbeeld:

He didn't say anything.
Hij zei niets.

make

/meɪk/

(verb) maken, bereiden, doen;

(noun) makelij, merk

Voorbeeld:

She likes to make her own clothes.
Ze houdt ervan om haar eigen kleding te maken.

think

/θɪŋk/

(verb) denken, vinden, nadenken;

(noun) gedachte, overweging

Voorbeeld:

What do you think about the new policy?
Wat denk je van het nieuwe beleid?

see

/siː/

(verb) zien, waarnemen, begrijpen;

(noun) bisdom, zetel;

(exclamation) zie, begrijp

Voorbeeld:

Can you see the mountains from here?
Kun je de bergen van hier zien?

want

/wɑːnt/

(verb) willen, behoeven, ontbreken;

(noun) gebrek, behoefte

Voorbeeld:

I want a new car.
Ik wil een nieuwe auto.

take

/teɪk/

(verb) nemen, pakken, brengen;

(noun) opname, shot, greep

Voorbeeld:

She decided to take a book from the shelf.
Ze besloot een boek van de plank te pakken.

look

/lʊk/

(verb) kijken, zoeken, lijken;

(noun) blik, uitstraling, uiterlijk

Voorbeeld:

She looked at him and smiled.
Ze keek naar hem en glimlachte.

use

/juːz/

(verb) gebruiken, benutten, uitbuiten;

(noun) gebruik, toepassing, nut

Voorbeeld:

Can I use your pen for a moment?
Mag ik je pen even gebruiken?

let

/let/

(verb) laten, toestaan, let;

(noun) huur, verhuur

Voorbeeld:

She wouldn't let him go.
Ze wilde hem niet laten gaan.

come

/kʌm/

(verb) komen, klaarkomen, orgasme hebben

Voorbeeld:

Are you coming to the party tonight?
Kom je vanavond naar het feest?

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.

mean

/miːn/

(verb) betekenen, bedoelen, van plan zijn;

(adjective) gemeen, vals, gierig;

(noun) gemiddelde

Voorbeeld:

What do you mean by that?
Wat bedoel je daarmee?

give

/ɡɪv/

(verb) geven, schenken, afgeven;

(noun) rek, elasticiteit

Voorbeeld:

Can you give me that book?
Kun je me dat boek geven?

start

/stɑːrt/

(noun) start, begin;

(verb) beginnen, starten, opzetten

Voorbeeld:

The race will start at 10 AM.
De race zal om 10 uur 's ochtends beginnen.

try

/traɪ/

(verb) proberen, uitproberen, testen;

(noun) poging, proef

Voorbeeld:

I will try to finish the report by tomorrow.
Ik zal proberen het rapport morgen af te maken.

talk

/tɑːk/

(verb) praten, spreken, lezing geven;

(noun) gesprek, praatje, lezing

Voorbeeld:

Can we talk for a moment?
Kunnen we even praten?

work

/wɝːk/

(noun) werk, arbeid, taak;

(verb) werken, arbeiden, functioneren

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb vandaag veel werk te doen.

feel

/fiːl/

(verb) voelen, aanraken, vinden;

(noun) gevoel, aanraking, intuïtie

Voorbeeld:

I feel happy today.
Ik voel me vandaag gelukkig.

tell

/tel/

(verb) vertellen, zeggen, onderscheiden;

(noun) teken, aanwijzing

Voorbeeld:

Can you tell me your name?
Kun je me je naam vertellen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland