Vocabulaireverzameling B1 - Oorlog en Vrede in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Oorlog en Vrede' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) oorlog, gewapend conflict, campagne;
(verb) oorlog voeren, strijden
Voorbeeld:
(noun) vrede, rust;
(exclamation) vrede, doei
Voorbeeld:
(noun) leger, menigte, grote groep
Voorbeeld:
(noun) leger, krijgsmacht;
(adjective) militair, krijgs-
Voorbeeld:
(noun) kracht, energie, geweld;
(verb) dwingen, forceren
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, beheersing;
(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over
Voorbeeld:
(verb) gehoorzamen, opvolgen, reageren op
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
(noun) commandant, bevelhebber, commandant (rang)
Voorbeeld:
(noun) officier, ambtenaar;
(verb) voorzien van officieren, officieren aanstellen
Voorbeeld:
(noun) conflict, ruzie, geschil;
(verb) botsen, conflicteren, strijden
Voorbeeld:
(noun) slag, gevecht, strijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(verb) verslaan, overwinnen, dwarsbomen;
(noun) nederlaag, overwinning
Voorbeeld:
(noun) aanval, kritiek;
(verb) aanvallen, bekritiseren
Voorbeeld:
(verb) verdedigen, beschermen, pleiten voor
Voorbeeld:
(noun) verdediging, bescherming, pleidooi
Voorbeeld:
(noun) overwinning, zege
Voorbeeld:
(noun) bewaker, garde, beschermer;
(verb) bewaken, beschermen
Voorbeeld:
(noun) wapen, middel
Voorbeeld:
(noun) geweer, pistool, wapen;
(verb) neerschieten, doodschieten, gas geven
Voorbeeld:
(noun) kogel, projectiel, opsommingsteken;
(verb) schieten, razen
Voorbeeld:
(noun) bom, flop, mislukking;
(verb) bombarderen, bestoken, falen
Voorbeeld:
(noun) vuur, brand, schieten;
(verb) vuren, afschieten, ontslaan
Voorbeeld:
(verb) exploderen, ontploffen, uitbarsten
Voorbeeld:
(verb) schieten, neerschieten, snellen;
(noun) schot, scheut, spruit;
(exclamation) verdorie, zeg op
Voorbeeld:
(noun) explosie, ontploffing, snelle toename
Voorbeeld:
(noun) vijand, tegenstander
Voorbeeld:
(noun) gevaar, risico
Voorbeeld:
(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;
(verb) beschadigen, schaden
Voorbeeld:
(adjective) vredig, rustig, vredelievend
Voorbeeld: