Vocabulaireverzameling B1 - Geld en Winkelen in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Geld en Winkelen' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) veroorloven, bieden, verschaffen
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(verb) aanrekenen, in rekening brengen, aanklagen;
(noun) kosten, vergoeding, aanklacht
Voorbeeld:
(noun) munt;
(verb) bedenken, creëren, slaan
Voorbeeld:
(noun) valuta, munteenheid, geldigheid
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(adjective) goedkoop, voordelig
Voorbeeld:
(noun) winkelcentrum, promenade, wandelpromenade
Voorbeeld:
(noun) kraam, stand, stal;
(verb) stoppen, vertragen, haperen
Voorbeeld:
(verb) terugkeren, teruggaan, terugbrengen;
(noun) terugkeer, terugzending, rendement
Voorbeeld:
(noun) koper, afnemer, inkoper
Voorbeeld:
(noun) verkoper, verkoopster, bestseller
Voorbeeld:
(noun) shopper, winkelier
Voorbeeld:
(noun) product, artikel, uitkomst
Voorbeeld:
(plural noun) goederen, koopwaar, bezittingen
Voorbeeld:
(noun) kassa, afrekenbalie, uitchecken;
(verb) afrekenen, betalen, uitchecken
Voorbeeld:
(noun) verslag, beschrijving, rekening;
(verb) beschouwen, verklaren
Voorbeeld:
(verb) verschuldigd zijn, schuld hebben aan, dank verschuldigd zijn
Voorbeeld:
(verb) lenen, overnemen, ontlenen
Voorbeeld:
(verb) lenen, uitlenen, geven
Voorbeeld:
(noun) krediet, credit, tegoed;
(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven
Voorbeeld:
(noun) schuld, schuldenlast
Voorbeeld:
(verb) doneren, schenken
Voorbeeld:
(noun) evenwicht, balans, saldo;
(verb) balanceren, in evenwicht houden, afwegen
Voorbeeld:
(noun) uitgave, kosten, uitgaven
Voorbeeld:
(noun) waarde, belang, prijs;
(verb) waarderen, schatten, op prijs stellen
Voorbeeld:
(noun) som, bedrag, totaal;
(verb) optellen, berekenen, samenvatten
Voorbeeld:
(noun) totaal, som;
(adjective) totaal, geheel, volledig;
(verb) bedragen, optellen tot
Voorbeeld:
(noun) koopje, aanbieding, overeenkomst;
(verb) onderhandelen, afdingen
Voorbeeld:
(noun) belasting;
(verb) belasten, belasting heffen op, uitputten
Voorbeeld:
(verb) behoren tot, toebehoren aan, thuishoren
Voorbeeld:
(noun) bezit, eigendom, spullen
Voorbeeld:
(noun) spaargeld, besparingen, redding;
(preposition) behalve, uitgezonderd
Voorbeeld:
(noun) productie, vervaardiging, voorstelling
Voorbeeld:
(noun) waarde, verdienste, prijs;
(adjective) waard
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) luxe, weelde, luxeartikel;
(adjective) luxe, weelderig
Voorbeeld: