Vocabulaireverzameling B1 - Zakelijk en Werkplek in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Zakelijk en Werkplek' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) exporteren, uitvoeren;
(noun) export, uitvoerproduct
Voorbeeld:
(verb) importeren, invoeren;
(noun) import, invoer
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, promoten, promoveren
Voorbeeld:
(verb) investeren, besteden
Voorbeeld:
(noun) handel, ruilhandel, vak;
(verb) handelen, ruilen, uitwisselen
Voorbeeld:
(noun) kantoor, bureau, ambt
Voorbeeld:
(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;
(verb) delen, uitdelen, omgaan met
Voorbeeld:
(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;
(noun) aanbod, bod, aanbieding
Voorbeeld:
(noun) beroep, vak, verklaring
Voorbeeld:
(noun) carrière, loopbaan;
(verb) razen, stormen
Voorbeeld:
(noun) beroep, bezigheid, werk
Voorbeeld:
(noun) overeenkomst, akkoord, instemming
Voorbeeld:
(noun) contract, overeenkomst;
(verb) samentrekken, krimpen, oplopen
Voorbeeld:
(noun) bedrijfsplan, businessplan
Voorbeeld:
(noun) sollicitatiegesprek, interview, gesprek;
(verb) interviewen, ondervragen
Voorbeeld:
(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd
Voorbeeld:
(noun) kans, gelegenheid
Voorbeeld:
(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;
(noun) professional, vakman, expert
Voorbeeld:
(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;
(noun) reclamespot, commercial
Voorbeeld:
(noun) werkloosheid
Voorbeeld:
(adjective) financieel
Voorbeeld:
(noun) voorraad, levering;
(verb) leveren, voorzien
Voorbeeld:
(noun) eis, vraag, behoefte;
(verb) eisen, verlangen, vereisen
Voorbeeld:
(noun) dienst, service, voorziening;
(verb) dienen, werken voor, serveren
Voorbeeld:
(noun) fabriek
Voorbeeld:
(noun) mijn, groeve, bom;
(verb) delven, mijnen, mijnen leggen;
(pronoun) mijn, de mijne
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(noun) werkplaats, atelier, workshop;
(verb) uitwerken in een workshop, bespreken in een workshop
Voorbeeld:
(noun) garage, werkplaats;
(verb) in de garage zetten, stallen
Voorbeeld:
(noun) hoofdkantoor, hoofdkwartier
Voorbeeld:
(phrase) werkloos, zonder werk
Voorbeeld:
(adjective) werkloos;
(plural noun) werklozen
Voorbeeld:
(noun) consument, consument (biologie)
Voorbeeld:
(noun) partner, vennoot, levensgezel;
(verb) partneren, samenwerken
Voorbeeld:
(adjective) gekwalificeerd, bevoegd, voorwaardelijk;
(verb) kwalificeren, bevoegd maken, nuanceren
Voorbeeld:
(noun) bemanning, ploeg, team;
(verb) bemannen, als bemanningslid dienen
Voorbeeld:
(adjective) stevig, vast, standvastig;
(noun) bedrijf, firma;
(verb) verstevigen, harder maken
Voorbeeld:
(noun) middel, hulpbron, vindingrijkheid;
(verb) voorzien van middelen, uitrusten
Voorbeeld:
(verb) beheren, leiden, redden
Voorbeeld: