Avatar of Vocabulary Set B1 - Zakelijk en Werkplek

Vocabulaireverzameling B1 - Zakelijk en Werkplek in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Zakelijk en Werkplek' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

export

/ˈek.spɔːrt/

(verb) exporteren, uitvoeren;

(noun) export, uitvoerproduct

Voorbeeld:

The company plans to export its products to Europe.
Het bedrijf is van plan zijn producten naar Europa te exporteren.

import

/ɪmˈpɔːrt/

(verb) importeren, invoeren;

(noun) import, invoer

Voorbeeld:

The company plans to import cars from Germany.
Het bedrijf is van plan auto's uit Duitsland te importeren.

promote

/prəˈmoʊt/

(verb) bevorderen, promoten, promoveren

Voorbeeld:

The organization works to promote peace and understanding.
De organisatie werkt aan het bevorderen van vrede en begrip.

invest

/ɪnˈvest/

(verb) investeren, besteden

Voorbeeld:

She decided to invest her savings in real estate.
Ze besloot haar spaargeld te investeren in onroerend goed.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

office

/ˈɑː.fɪs/

(noun) kantoor, bureau, ambt

Voorbeeld:

I'll be at the office until 6 PM.
Ik ben tot 18.00 uur op kantoor.

deal

/diːl/

(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;

(verb) delen, uitdelen, omgaan met

Voorbeeld:

They closed a big deal with the new client.
Ze sloten een grote deal met de nieuwe klant.

offer

/ˈɑː.fɚ/

(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;

(noun) aanbod, bod, aanbieding

Voorbeeld:

He offered her a cup of tea.
Hij bood haar een kopje thee aan.

profession

/prəˈfeʃ.ən/

(noun) beroep, vak, verklaring

Voorbeeld:

Teaching is a noble profession.
Lesgeven is een nobel beroep.

career

/kəˈrɪr/

(noun) carrière, loopbaan;

(verb) razen, stormen

Voorbeeld:

She is pursuing a career in medicine.
Ze streeft een carrière na in de geneeskunde.

occupation

/ˌɑː.kjəˈpeɪ.ʃən/

(noun) beroep, bezigheid, werk

Voorbeeld:

Please state your name, address, and occupation.
Vermeld alstublieft uw naam, adres en beroep.

agreement

/əˈɡriː.mənt/

(noun) overeenkomst, akkoord, instemming

Voorbeeld:

We reached an agreement on the terms of the contract.
We bereikten een overeenkomst over de voorwaarden van het contract.

contract

/ˈkɑːn.trækt/

(noun) contract, overeenkomst;

(verb) samentrekken, krimpen, oplopen

Voorbeeld:

They signed a contract for the new house.
Ze tekenden een contract voor het nieuwe huis.

business plan

/ˈbɪz.nɪs ˌplæn/

(noun) bedrijfsplan, businessplan

Voorbeeld:

Before starting the company, they developed a comprehensive business plan.
Voordat ze het bedrijf startten, ontwikkelden ze een uitgebreid bedrijfsplan.

interview

/ˈɪn.t̬ɚ.vjuː/

(noun) sollicitatiegesprek, interview, gesprek;

(verb) interviewen, ondervragen

Voorbeeld:

She has an interview for a new job tomorrow.
Ze heeft morgen een sollicitatiegesprek voor een nieuwe baan.

competition

/ˌkɑːm.pəˈtɪʃ.ən/

(noun) concurrentie, wedijver, wedstrijd

Voorbeeld:

There's fierce competition for jobs in the current market.
Er is felle concurrentie om banen op de huidige markt.

opportunity

/ˌɑː.pɚˈtuː.nə.t̬i/

(noun) kans, gelegenheid

Voorbeeld:

This is a great opportunity to learn new skills.
Dit is een geweldige kans om nieuwe vaardigheden te leren.

professional

/prəˈfeʃ.ən.əl/

(adjective) professioneel, beroepsmatig, vakkundig;

(noun) professional, vakman, expert

Voorbeeld:

She sought professional advice from a lawyer.
Ze zocht professioneel advies van een advocaat.

commercial

/kəˈmɝː.ʃəl/

(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;

(noun) reclamespot, commercial

Voorbeeld:

The city is a major commercial center.
De stad is een belangrijk commercieel centrum.

unemployment

/ˌʌn.ɪmˈplɔɪ.mənt/

(noun) werkloosheid

Voorbeeld:

The government is working to reduce unemployment.
De regering werkt aan het verminderen van de werkloosheid.

financial

/faɪˈnæn.ʃəl/

(adjective) financieel

Voorbeeld:

The company is facing serious financial difficulties.
Het bedrijf kampt met ernstige financiële moeilijkheden.

supply

/səˈplaɪ/

(noun) voorraad, levering;

(verb) leveren, voorzien

Voorbeeld:

The emergency services have a good supply of blood.
De hulpdiensten hebben een goede voorraad bloed.

demand

/dɪˈmænd/

(noun) eis, vraag, behoefte;

(verb) eisen, verlangen, vereisen

Voorbeeld:

The workers made a demand for higher wages.
De arbeiders stelden een eis voor hogere lonen.

service

/ˈsɝː.vɪs/

(noun) dienst, service, voorziening;

(verb) dienen, werken voor, serveren

Voorbeeld:

The hotel provides excellent room service.
Het hotel biedt uitstekende roomservice.

factory

/ˈfæk.tɚ.i/

(noun) fabriek

Voorbeeld:

The new car factory will create many jobs.
De nieuwe autofabriek zal veel banen creëren.

mine

/maɪn/

(noun) mijn, groeve, bom;

(verb) delven, mijnen, mijnen leggen;

(pronoun) mijn, de mijne

Voorbeeld:

The coal mine was closed due to safety concerns.
De kolenmijn werd gesloten vanwege veiligheidsproblemen.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

workshop

/ˈwɝːk.ʃɑːp/

(noun) werkplaats, atelier, workshop;

(verb) uitwerken in een workshop, bespreken in een workshop

Voorbeeld:

The mechanic spent all day in his workshop fixing cars.
De monteur bracht de hele dag door in zijn werkplaats auto's repareren.

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

headquarters

/ˈhedˌkwɔːr.t̬ɚz/

(noun) hoofdkantoor, hoofdkwartier

Voorbeeld:

The company's headquarters is located in New York City.
Het hoofdkantoor van het bedrijf bevindt zich in New York City.

out of work

/aʊt əv wɜːrk/

(phrase) werkloos, zonder werk

Voorbeeld:

He's been out of work for six months.
Hij is al zes maanden werkloos.

unemployed

/ˌʌn.ɪmˈplɔɪd/

(adjective) werkloos;

(plural noun) werklozen

Voorbeeld:

He has been unemployed for six months.
Hij is al zes maanden werkloos.

consumer

/kənˈsuː.mɚ/

(noun) consument, consument (biologie)

Voorbeeld:

The new policy aims to protect consumers from unfair practices.
Het nieuwe beleid is gericht op het beschermen van consumenten tegen oneerlijke praktijken.

partner

/ˈpɑːrt.nɚ/

(noun) partner, vennoot, levensgezel;

(verb) partneren, samenwerken

Voorbeeld:

She became a junior partner in the law firm.
Ze werd een junior partner in het advocatenkantoor.

qualified

/ˈkwɑː.lə.faɪd/

(adjective) gekwalificeerd, bevoegd, voorwaardelijk;

(verb) kwalificeren, bevoegd maken, nuanceren

Voorbeeld:

She is a qualified doctor.
Zij is een gekwalificeerde arts.

crew

/kruː/

(noun) bemanning, ploeg, team;

(verb) bemannen, als bemanningslid dienen

Voorbeeld:

The ship's crew prepared for departure.
De bemanning van het schip bereidde zich voor op vertrek.

firm

/fɝːm/

(adjective) stevig, vast, standvastig;

(noun) bedrijf, firma;

(verb) verstevigen, harder maken

Voorbeeld:

The ground was firm after the rain.
De grond was stevig na de regen.

resource

/ˈriː.sɔːrs/

(noun) middel, hulpbron, vindingrijkheid;

(verb) voorzien van middelen, uitrusten

Voorbeeld:

The company has limited financial resources.
Het bedrijf heeft beperkte financiële middelen.

manage

/ˈmæn.ədʒ/

(verb) beheren, leiden, redden

Voorbeeld:

She manages a team of ten employees.
Zij beheert een team van tien medewerkers.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland