Vocabulaireverzameling A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;
(noun) greep, houvast, wacht
Voorbeeld:
(verb) identificeren, herkennen, associëren
Voorbeeld:
(verb) betrekken, omvatten, inhouden
Voorbeeld:
(noun) grap, mop, aanfluiting;
(verb) grappen, spotten
Voorbeeld:
(noun) klop, tik, klap;
(verb) kloppen, tikken, stoten
Voorbeeld:
(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;
(verb) leiden, gidsen, aanvoeren
Voorbeeld:
(verb) optillen, opheffen, intrekken;
(noun) lift, heftoestel, rit
Voorbeeld:
(noun) licht, lamp, lichtbron;
(verb) aansteken, verlichten;
(adjective) licht
Voorbeeld:
(noun) link, verband, relatie;
(verb) verbinden, koppelen, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) slot, sluis, lok;
(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren
Voorbeeld:
(noun) teken, merk, cijfer;
(verb) markeren, vlekken, aanduiden
Voorbeeld:
(noun) materie, stof, zaak;
(verb) er toe doen, belangrijk zijn
Voorbeeld:
(verb) vermelden, noemen;
(noun) vermelding, aanduiding
Voorbeeld:
(noun) geest, verstand, aandacht;
(verb) erg vinden, bezwaar hebben tegen, opletten
Voorbeeld:
(noun) getal, nummer, aantal;
(verb) bedragen, tellen, nummeren
Voorbeeld:
(verb) ordenen, organiseren, regelen
Voorbeeld:
(adjective) eigen;
(verb) bezitten, eigenaar zijn van, toegeven;
(adverb) alleen, zelfstandig
Voorbeeld:
(noun) pak, rugzak, bundel;
(verb) inpakken, verpakken, vullen
Voorbeeld:
(noun) foto, fotografie;
(verb) fotograferen, een foto maken
Voorbeeld:
(verb) voorspellen, voorzeggen
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, heden;
(adjective) aanwezig, huidig;
(verb) presenteren, aanbieden, geven
Voorbeeld:
(verb) voorkomen, verhinderen, beletten
Voorbeeld:
(verb) printen, afdrukken, schrijven in blokletters;
(noun) afdruk, print, spoor
Voorbeeld:
(noun) belofte, potentieel;
(verb) beloven, voorspellen
Voorbeeld:
(noun) vraag, vraagstuk, kwestie;
(verb) ondervragen, bevragen, betwijfelen
Voorbeeld:
(noun) race, wedstrijd, ras;
(verb) racen, wedijveren, snel bewegen
Voorbeeld:
(verb) sluiten, dichtdoen, opheffen;
(adjective) gesloten, dicht
Voorbeeld:
(noun) gids, handleiding;
(verb) leiden, begeleiden, sturen
Voorbeeld:
(verb) doden, vermoorden, beëindigen;
(noun) doodslag, buit
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld: