Avatar of Vocabulary Set A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 2

Vocabulaireverzameling A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Noodzakelijke Werkwoorden 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

hold

/hoʊld/

(verb) vasthouden, dragen, tegenhouden;

(noun) greep, houvast, wacht

Voorbeeld:

Can you hold this for a moment?
Kun je dit even vasthouden?

identify

/aɪˈden.t̬ə.faɪ/

(verb) identificeren, herkennen, associëren

Voorbeeld:

Can you identify the person who stole your bag?
Kun je de persoon identificeren die je tas heeft gestolen?

involve

/ɪnˈvɑːlv/

(verb) betrekken, omvatten, inhouden

Voorbeeld:

The new project will involve a lot of research.
Het nieuwe project zal veel onderzoek omvatten.

joke

/dʒoʊk/

(noun) grap, mop, aanfluiting;

(verb) grappen, spotten

Voorbeeld:

He told a funny joke that made everyone laugh.
Hij vertelde een grappige grap die iedereen aan het lachen maakte.

knock

/nɑːk/

(noun) klop, tik, klap;

(verb) kloppen, tikken, stoten

Voorbeeld:

She heard a knock at the door.
Ze hoorde een klop op de deur.

lead

/liːd/

(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;

(verb) leiden, gidsen, aanvoeren

Voorbeeld:

She took the lead in organizing the event.
Zij nam de leiding bij het organiseren van het evenement.

lift

/lɪft/

(verb) optillen, opheffen, intrekken;

(noun) lift, heftoestel, rit

Voorbeeld:

She helped him lift the heavy box.
Ze hielp hem de zware doos optillen.

light

/laɪt/

(noun) licht, lamp, lichtbron;

(verb) aansteken, verlichten;

(adjective) licht

Voorbeeld:

The room was filled with natural light.
De kamer was gevuld met natuurlijk licht.

link

/lɪŋk/

(noun) link, verband, relatie;

(verb) verbinden, koppelen, samenvoegen

Voorbeeld:

There's a strong link between smoking and cancer.
Er is een sterke link tussen roken en kanker.

lock

/lɑːk/

(noun) slot, sluis, lok;

(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren

Voorbeeld:

He turned the key in the lock and opened the door.
Hij draaide de sleutel in het slot en opende de deur.

mark

/mɑːrk/

(noun) teken, merk, cijfer;

(verb) markeren, vlekken, aanduiden

Voorbeeld:

The teacher put a red mark on the incorrect answers.
De leraar zette een rode markering op de foute antwoorden.

matter

/ˈmæt̬.ɚ/

(noun) materie, stof, zaak;

(verb) er toe doen, belangrijk zijn

Voorbeeld:

All living things are composed of matter.
Alle levende wezens zijn samengesteld uit materie.

mention

/ˈmen.ʃən/

(verb) vermelden, noemen;

(noun) vermelding, aanduiding

Voorbeeld:

Did he mention where he was going?
Heeft hij vermeld waar hij heen ging?

mind

/maɪnd/

(noun) geest, verstand, aandacht;

(verb) erg vinden, bezwaar hebben tegen, opletten

Voorbeeld:

She has a brilliant mind.
Ze heeft een briljante geest.

number

/ˈnʌm.bɚ/

(noun) getal, nummer, aantal;

(verb) bedragen, tellen, nummeren

Voorbeeld:

Write down your phone number.
Schrijf je telefoonnummer op.

organize

/ˈɔːr.ɡən.aɪz/

(verb) ordenen, organiseren, regelen

Voorbeeld:

She helped him organize his thoughts.
Ze hielp hem zijn gedachten te ordenen.

own

/oʊn/

(adjective) eigen;

(verb) bezitten, eigenaar zijn van, toegeven;

(adverb) alleen, zelfstandig

Voorbeeld:

I have my own car.
Ik heb mijn eigen auto.

pack

/pæk/

(noun) pak, rugzak, bundel;

(verb) inpakken, verpakken, vullen

Voorbeeld:

He carried a large pack on his back.
Hij droeg een grote rugzak op zijn rug.

photograph

/ˈfoʊ.t̬oʊ.ɡræf/

(noun) foto, fotografie;

(verb) fotograferen, een foto maken

Voorbeeld:

She showed me a beautiful photograph of her family.
Ze liet me een prachtige foto van haar familie zien.

predict

/prɪˈdɪkt/

(verb) voorspellen, voorzeggen

Voorbeeld:

It's difficult to predict the outcome of the election.
Het is moeilijk om de uitslag van de verkiezingen te voorspellen.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

prevent

/prɪˈvent/

(verb) voorkomen, verhinderen, beletten

Voorbeeld:

The new policy aims to prevent fraud.
Het nieuwe beleid is gericht op het voorkomen van fraude.

print

/prɪnt/

(verb) printen, afdrukken, schrijven in blokletters;

(noun) afdruk, print, spoor

Voorbeeld:

The company decided to print a new edition of the book.
Het bedrijf besloot een nieuwe editie van het boek te printen.

promise

/ˈprɑː.mɪs/

(noun) belofte, potentieel;

(verb) beloven, voorspellen

Voorbeeld:

He made a promise to help her.
Hij deed een belofte om haar te helpen.

question

/ˈkwes.tʃən/

(noun) vraag, vraagstuk, kwestie;

(verb) ondervragen, bevragen, betwijfelen

Voorbeeld:

She asked a difficult question.
Ze stelde een moeilijke vraag.

race

/reɪs/

(noun) race, wedstrijd, ras;

(verb) racen, wedijveren, snel bewegen

Voorbeeld:

She won the 100-meter race.
Ze won de 100-meter race.

shut

/ʃʌt/

(verb) sluiten, dichtdoen, opheffen;

(adjective) gesloten, dicht

Voorbeeld:

Please shut the door quietly.
Gelieve de deur zachtjes te sluiten.

guide

/ɡaɪd/

(noun) gids, handleiding;

(verb) leiden, begeleiden, sturen

Voorbeeld:

Our tour guide was very knowledgeable about the city's history.
Onze reisgids was zeer goed geïnformeerd over de geschiedenis van de stad.

kill

/kɪl/

(verb) doden, vermoorden, beëindigen;

(noun) doodslag, buit

Voorbeeld:

The hunter managed to kill a deer.
De jager slaagde erin een hert te doden.

set

/set/

(verb) zetten, leggen, plaatsen;

(noun) set, reeks, stand;

(adjective) vastgesteld, vast

Voorbeeld:

She set the book on the table.
Ze zette het boek op tafel.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland