Avatar of Vocabulary Set Woorden gerelateerd aan Haar

Vocabulaireverzameling Woorden gerelateerd aan Haar in Uiterlijk: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Woorden gerelateerd aan Haar' in 'Uiterlijk' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bad hair day

/bæd her deɪ/

(idiom) bad hair day, dag met slecht haar, pechdag

Voorbeeld:

I'm having a real bad hair day, nothing I do makes it look good.
Ik heb echt een bad hair day, niets wat ik doe, maakt het goed.

split end

/ˈsplɪt end/

(noun) gespleten haarpunt, gespleten punt

Voorbeeld:

Regular trims can help prevent split ends.
Regelmatig knippen kan gespleten haarpunten helpen voorkomen.

cowlick

/ˈkaʊ.lɪk/

(noun) kruin, haarpluk

Voorbeeld:

He tried to flatten his stubborn cowlick, but it always sprang back up.
Hij probeerde zijn eigenwijze kruin plat te kammen, maar die sprong altijd weer omhoog.

curl

/kɝːl/

(verb) krullen, opkrullen;

(noun) krul

Voorbeeld:

Her hair tends to curl in humid weather.
Haar haar heeft de neiging te krullen bij vochtig weer.

bedhead

/ˈbed.hed/

(noun) bedhead, slaperig haar, hoofdeinde

Voorbeeld:

She woke up with terrible bedhead.
Ze werd wakker met vreselijke bedhead.

body

/ˈbɑː.di/

(noun) lichaam, hoofdgedeelte, carrosserie

Voorbeeld:

The human body is a complex system.
Het menselijk lichaam is een complex systeem.

bounce

/baʊns/

(verb) stuiteren, terugkaatsen, springen;

(noun) stuiter, terugkaatsing, opleving

Voorbeeld:

The ball bounced off the wall.
De bal stuiterde van de muur.

lock

/lɑːk/

(noun) slot, sluis, lok;

(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren

Voorbeeld:

He turned the key in the lock and opened the door.
Hij draaide de sleutel in het slot en opende de deur.

down

/daʊn/

(preposition) naar beneden, af, langs;

(adverb) naar beneden, onder, gedaald;

(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;

(noun) dons, fijne veren;

(verb) neerslaan, omverwerpen

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

hairy

/ˈher.i/

(adjective) harig, behaard, gevaarlijk

Voorbeeld:

He has a very hairy chest.
Hij heeft een erg harige borst.

tone

/toʊn/

(noun) toon, klank, sfeer;

(verb) een toon geven, temperen, aanpassen

Voorbeeld:

The singer's voice had a beautiful, clear tone.
De stem van de zanger had een mooie, heldere toon.

part

/pɑːrt/

(noun) deel, stuk, rol;

(verb) scheiden, uiteengaan;

(adverb) deels, gedeeltelijk

Voorbeeld:

I only read the first part of the book.
Ik heb alleen het eerste deel van het boek gelezen.

wear

/wer/

(verb) dragen, slijten, verslijten;

(noun) slijtage, gebruik, kleding

Voorbeeld:

She likes to wear bright colors.
Ze draagt graag felle kleuren.

recede

/rɪˈsiːd/

(verb) wijken, terugtrekken, achteruitgaan

Voorbeeld:

The floodwaters slowly began to recede.
Het vloedwater begon langzaam te wijken.

pate

/peɪt/

(noun) hoofd, schedel, paté

Voorbeeld:

He patted the child on the pate.
Hij klopte het kind op zijn hoofd.

tress

/tres/

(noun) lok, vlecht

Voorbeeld:

Her golden tresses cascaded down her back.
Haar gouden lokken vielen langs haar rug.

strand

/strænd/

(noun) draad, streng, strand;

(verb) stranden, vastzetten, aan de grond lopen

Voorbeeld:

She found a long strand of hair on her pillow.
Ze vond een lange draad haar op haar kussen.

tendril

/ˈten.drəl/

(noun) rank, klimrank, krul

Voorbeeld:

The pea plant sent out a delicate tendril to grasp the trellis.
De erwtenplant stuurde een delicate rank uit om de trellis vast te pakken.

tangle

/ˈtæŋ.ɡəl/

(noun) klit, wirwar, verwarring;

(verb) verwarren, in de war brengen, verstrikt raken

Voorbeeld:

Her hair was a messy tangle after the windy walk.
Haar haar was een rommelige klit na de winderige wandeling.

wave

/weɪv/

(noun) golf, zwaai, gebaar;

(verb) zwaaien, wenken, wapperen

Voorbeeld:

The boat was tossed by the large waves.
De boot werd heen en weer geslingerd door de grote golven.

wisp

/wɪsp/

(noun) plukje, sliert, flard;

(verb) wegtrekken, bewegen

Voorbeeld:

A wisp of smoke curled from the chimney.
Een plukje rook krulde uit de schoorsteen.

thatch

/θætʃ/

(noun) riet, strooien dak;

(verb) rietdekken, met stro bedekken

Voorbeeld:

The old cottage had a beautiful thatch roof.
Het oude huisje had een prachtig rietgedekt dak.

streak

/striːk/

(noun) streep, spoor, reeks;

(verb) schieten, razen, strepen

Voorbeeld:

The car left a long black streak on the road.
De auto liet een lange zwarte streep achter op de weg.

shock

/ʃɑːk/

(noun) schok, verbazing, shock;

(verb) schokken, verbazen

Voorbeeld:

The news of his death came as a complete shock.
Het nieuws van zijn dood kwam als een complete schok.

ringlet

/ˈrɪŋ.lət/

(noun) krul, lok

Voorbeeld:

Her golden hair fell in perfect ringlets around her face.
Haar gouden haar viel in perfecte krullen rond haar gezicht.

mop

/mɑːp/

(noun) dweil, zwabber, bos;

(verb) dweilen, zwabberen

Voorbeeld:

She used a mop to clean up the spilled water.
Ze gebruikte een dweil om het gemorste water op te ruimen.

hairline

/ˈher.laɪn/

(noun) haarlijn, haarlijntje, haarscheurtje;

(adjective) haarlijn, haarfein

Voorbeeld:

He has a receding hairline.
Hij heeft een terugwijkende haarlijn.

dreadlocks

/ˈdred.lɑːks/

(plural noun) dreadlocks, dreads

Voorbeeld:

He has long dreadlocks that reach his waist.
Hij heeft lange dreadlocks die tot zijn middel reiken.

grey

/ɡreɪ/

(adjective) grijs, saai, eentonig;

(noun) grijs;

(verb) vergrijzen, grijs worden

Voorbeeld:

The sky was a dull grey before the storm.
De lucht was dof grijs voor de storm.

thin

/θɪn/

(adjective) dun, mager, slank;

(verb) verdunnen, uitdunnen;

(adverb) dun

Voorbeeld:

The book has a thin cover.
Het boek heeft een dunne kaft.

alopecia

/ˌæl.oʊˈpiː.ʃə/

(noun) alopecia, kaalheid

Voorbeeld:

She was diagnosed with alopecia, which caused her hair to fall out in patches.
Ze werd gediagnosticeerd met alopecia, waardoor haar haar in plukken uitviel.

tuft

/tʌft/

(noun) pluk, bosje, kwast;

(verb) plukken, bossen

Voorbeeld:

A small tuft of grass grew between the cracks in the pavement.
Een kleine pluk gras groeide tussen de scheuren in het trottoir.

forelock

/ˈfɔːr.lɑːk/

(noun) voorlok, pony

Voorbeeld:

He brushed his forelock out of his eyes.
Hij veegde zijn voorlok uit zijn ogen.

male pattern baldness

/meɪl ˈpæt.ərn ˈbɑːld.nəs/

(noun) mannelijke kaalheid, androgenetische alopecia

Voorbeeld:

He started experiencing male pattern baldness in his late twenties.
Hij begon mannelijke kaalheid te ervaren in zijn late twintiger jaren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland