Vocabulaireverzameling Woorden gerelateerd aan Haar in Uiterlijk: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Woorden gerelateerd aan Haar' in 'Uiterlijk' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(idiom) bad hair day, dag met slecht haar, pechdag
Voorbeeld:
(noun) gespleten haarpunt, gespleten punt
Voorbeeld:
(noun) kruin, haarpluk
Voorbeeld:
(verb) krullen, opkrullen;
(noun) krul
Voorbeeld:
(noun) bedhead, slaperig haar, hoofdeinde
Voorbeeld:
(noun) lichaam, hoofdgedeelte, carrosserie
Voorbeeld:
(verb) stuiteren, terugkaatsen, springen;
(noun) stuiter, terugkaatsing, opleving
Voorbeeld:
(noun) slot, sluis, lok;
(verb) sluiten, vergrendelen, blokkeren
Voorbeeld:
(preposition) naar beneden, af, langs;
(adverb) naar beneden, onder, gedaald;
(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;
(noun) dons, fijne veren;
(verb) neerslaan, omverwerpen
Voorbeeld:
(adjective) harig, behaard, gevaarlijk
Voorbeeld:
(noun) toon, klank, sfeer;
(verb) een toon geven, temperen, aanpassen
Voorbeeld:
(noun) deel, stuk, rol;
(verb) scheiden, uiteengaan;
(adverb) deels, gedeeltelijk
Voorbeeld:
(verb) dragen, slijten, verslijten;
(noun) slijtage, gebruik, kleding
Voorbeeld:
(verb) wijken, terugtrekken, achteruitgaan
Voorbeeld:
(noun) hoofd, schedel, paté
Voorbeeld:
(noun) lok, vlecht
Voorbeeld:
(noun) draad, streng, strand;
(verb) stranden, vastzetten, aan de grond lopen
Voorbeeld:
(noun) rank, klimrank, krul
Voorbeeld:
(noun) klit, wirwar, verwarring;
(verb) verwarren, in de war brengen, verstrikt raken
Voorbeeld:
(noun) golf, zwaai, gebaar;
(verb) zwaaien, wenken, wapperen
Voorbeeld:
(noun) plukje, sliert, flard;
(verb) wegtrekken, bewegen
Voorbeeld:
(noun) riet, strooien dak;
(verb) rietdekken, met stro bedekken
Voorbeeld:
(noun) streep, spoor, reeks;
(verb) schieten, razen, strepen
Voorbeeld:
(noun) schok, verbazing, shock;
(verb) schokken, verbazen
Voorbeeld:
(noun) krul, lok
Voorbeeld:
(noun) dweil, zwabber, bos;
(verb) dweilen, zwabberen
Voorbeeld:
(noun) haarlijn, haarlijntje, haarscheurtje;
(adjective) haarlijn, haarfein
Voorbeeld:
(plural noun) dreadlocks, dreads
Voorbeeld:
(adjective) grijs, saai, eentonig;
(noun) grijs;
(verb) vergrijzen, grijs worden
Voorbeeld:
(adjective) dun, mager, slank;
(verb) verdunnen, uitdunnen;
(adverb) dun
Voorbeeld:
(noun) alopecia, kaalheid
Voorbeeld:
(noun) pluk, bosje, kwast;
(verb) plukken, bossen
Voorbeeld:
(noun) voorlok, pony
Voorbeeld:
(noun) mannelijke kaalheid, androgenetische alopecia
Voorbeeld: