Vocabulaireverzameling Eenheid 14: Wat Gebeurde Er In Het Verhaal? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 14: Wat Gebeurde Er In Het Verhaal?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) verhaal, sprookje, verslag
Voorbeeld:
(noun) watermeloen
Voorbeeld:
(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam
Voorbeeld:
(verb) gebeuren, plaatsvinden, toevallig vinden
Voorbeeld:
(noun) eiland, verkeerseiland
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
(adverb) ver weg, op grote afstand;
(adjective) afwezig, verzonken in gedachten
Voorbeeld:
(noun) zaad, pit, kiem;
(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten
Voorbeeld:
(verb) groeien, toenemen, verbouwen
Voorbeeld:
(noun) uitwisseling, ruil, beurs;
(verb) uitwisselen, ruilen
Voorbeeld:
(adjective) gelukkig, mazzel
Voorbeeld:
(idiom) uiteindelijk, tenslotte
Voorbeeld:
(phrasal verb) teruggaan, terugkeren, dateren van
Voorbeeld:
(adjective) eerste;
(adverb) eerst, als eerste;
(noun) eerste, de eerste
Voorbeeld:
(adverb) toen, destijds, daarna;
(conjunction) dan, dus;
(adjective) toenmalig, destijds
Voorbeeld:
(adjective) volgende, hierna, naast;
(adverb) vervolgens, daarna
Voorbeeld:
(noun) prinses, verwende meid
Voorbeeld:
(noun) prins, vorst
Voorbeeld:
(adverb) geleden
Voorbeeld:
(noun) kasteel, burcht, landhuis;
(verb) versterken, verbouwen tot kasteel
Voorbeeld:
(noun) magie, toverkunst, charme;
(adjective) magisch, betoverend;
(verb) toveren, wegtoveren
Voorbeeld:
(noun) verrassing, verbazing, verwondering;
(verb) verrassen, verbazen
Voorbeeld:
(adjective) blij, gelukkig, voorspoedig
Voorbeeld:
(verb) trouwen, huwen, uithuwelijken
Voorbeeld:
(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;
(noun) bijeenkomst, wedstrijd
Voorbeeld:
(noun) sterfruit, carambola
Voorbeeld:
(adjective) gouden, goudkleurig, goudgeel
Voorbeeld:
(adjective) hebzuchtig, gulzig, vraatzuchtig
Voorbeeld:
(noun) karakter, aard, personage
Voorbeeld:
(noun) dak;
(verb) bedekken met een dak, daken
Voorbeeld:
(noun) stuk, deel, item;
(verb) samenvoegen, herstellen
Voorbeeld:
(noun) vlees, pit
Voorbeeld:
(phrasal verb) oprapen, ophalen, oppikken
Voorbeeld:
(noun) volksverhaal, sprookje
Voorbeeld:
(adjective) eerlijk, oprecht, rechtmatig
Voorbeeld:
(adjective) wijs, verstandig;
(suffix) gewijs, wat betreft
Voorbeeld:
(adjective) dom, stom;
(noun) domoor, stomkop
Voorbeeld: