Vocabulaireverzameling B1 - Letter B in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter B' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adverb) achteruit, achterstevoren, omgekeerd;
(adjective) achterlijk, achtergebleven
Voorbeeld:
(verb) bakken, uitdrogen
Voorbeeld:
(noun) evenwicht, balans, saldo;
(verb) balanceren, in evenwicht houden, afwegen
Voorbeeld:
(verb) verbieden, uitbannen;
(noun) verbod, ban
Voorbeeld:
(noun) bank, oever, wal;
(verb) storten, bankieren, ophopen
Voorbeeld:
(noun) basis, voetstuk, grondslag;
(verb) baseren, gronden;
(adjective) laag, gemeen
Voorbeeld:
(adjective) basis, fundamenteel, eenvoudig
Voorbeeld:
(noun) basis, grondslag, hoofdbestanddeel
Voorbeeld:
(noun) batterij, accu, mishandeling
Voorbeeld:
(noun) slag, gevecht, strijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(noun) schoonheid, knappe vrouw, uitmuntend exemplaar
Voorbeeld:
(noun) geloof, overtuiging, principe
Voorbeeld:
(noun) bel, klok, beker;
(verb) bellen, van een bel voorzien
Voorbeeld:
(verb) buigen, plooien, zwichten;
(noun) bocht, kromming
Voorbeeld:
(noun) voordeel, nut, profijt;
(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen
Voorbeeld:
(adjective) beter;
(adverb) beter;
(verb) verbeteren, overtreffen;
(noun) meerderen, superieuren
Voorbeeld:
(verb) bijten, hap, aantasten;
(noun) beet, hap, hapje
Voorbeeld:
(noun) blok, klomp, gebouw;
(verb) blokkeren, versperren, verhinderen
Voorbeeld:
(noun) plank, bord, raad;
(verb) instappen, aan boord gaan, huisvesten
Voorbeeld:
(noun) bom, flop, mislukking;
(verb) bombarderen, bestoken, falen
Voorbeeld:
(noun) grens, rand, boord;
(verb) begrenzen, omzomen
Voorbeeld:
(verb) de moeite nemen, zich inspannen, storen;
(noun) moeite, hinder
Voorbeeld:
(noun) tak, filiaal, vestiging;
(verb) vertakken, splitsen
Voorbeeld:
(noun) merk, brandmerk, teken;
(verb) brandmerken, merken
Voorbeeld:
(adjective) moedig, dapper;
(verb) trotseren, doorstaan
Voorbeeld:
(noun) adem, ademhaling, pauze
Voorbeeld:
(verb) ademen, uiten, fluisteren
Voorbeeld:
(noun) ademhaling;
(verb) ademend
Voorbeeld:
(noun) bruid
Voorbeeld:
(noun) bel, bubbel, koepel;
(verb) borrelen, bruisen, bruisen van
Voorbeeld:
(verb) begraven, verbergen, bedekken
Voorbeeld:
(preposition) door, met, bij;
(adverb) voorbij, langs
Voorbeeld: