Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter D

Vocabulaireverzameling A1 - Letter D in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter D' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

dad

/dæd/

(noun) vader, papa

Voorbeeld:

My dad taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.

dance

/dæns/

(verb) dansen, fladderen;

(noun) dans, dansfeest

Voorbeeld:

They love to dance all night long.
Ze houden ervan om de hele nacht te dansen.

dancer

/ˈdæn.sɚ/

(noun) danser, danseres

Voorbeeld:

She is a talented ballet dancer.
Zij is een getalenteerde balletdanseres.

dancing

/ˈdæn.sɪŋ/

(noun) dansen, het dansen;

(verb) dansend, aan het dansen

Voorbeeld:

She loves dancing to pop music.
Ze houdt van dansen op popmuziek.

dangerous

/ˈdeɪn.dʒɚ.əs/

(adjective) gevaarlijk

Voorbeeld:

It's dangerous to walk alone at night in this area.
Het is gevaarlijk om 's nachts alleen te lopen in dit gebied.

dark

/dɑːrk/

(adjective) donker, sinister;

(noun) donker, duisternis

Voorbeeld:

It's getting dark outside.
Het wordt donker buiten.

date

/deɪt/

(noun) datum, afspraakje, date;

(verb) dateren, daten, uitgaan met

Voorbeeld:

What's the date today?
Wat is de datum vandaag?

daughter

/ˈdɑː.t̬ɚ/

(noun) dochter

Voorbeeld:

Our daughter is starting college next year.
Onze dochter begint volgend jaar met haar studie.

day

/deɪ/

(noun) dag, tijd, periode;

(adverb) dagelijks, overdag

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

dear

/dɪr/

(adjective) lief, dierbaar, geachte;

(noun) liefste, schat;

(exclamation) oh jee, ach

Voorbeeld:

She is a dear friend to me.
Ze is een dierbare vriendin voor mij.

December

/dɪˈsem.bɚ/

(noun) december

Voorbeeld:

Christmas is celebrated in December.
Kerstmis wordt gevierd in december.

decide

/dɪˈsaɪd/

(verb) beslissen, besluiten, doen besluiten

Voorbeeld:

I need to decide what to wear for the party.
Ik moet beslissen wat ik naar het feest aantrek.

delicious

/dɪˈlɪʃ.əs/

(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam

Voorbeeld:

The cake was absolutely delicious.
De cake was absoluut heerlijk.

describe

/dɪˈskraɪb/

(verb) beschrijven, omschrijven

Voorbeeld:

Can you describe the suspect?
Kun je de verdachte beschrijven?

description

/dɪˈskrɪp.ʃən/

(noun) beschrijving, omschrijving

Voorbeeld:

The witness gave a detailed description of the suspect.
De getuige gaf een gedetailleerde beschrijving van de verdachte.

design

/dɪˈzaɪn/

(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;

(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor

Voorbeeld:

The architect presented the final design for the new building.
De architect presenteerde het definitieve ontwerp voor het nieuwe gebouw.

desk

/desk/

(noun) bureau, schrijftafel, balie

Voorbeeld:

She sat down at her desk and started working.
Ze ging aan haar bureau zitten en begon te werken.

detail

/dɪˈteɪl/

(noun) detail, onderdeel;

(verb) gedetailleerd beschrijven, specificeren

Voorbeeld:

The artist paid great attention to every detail in the painting.
De kunstenaar besteedde veel aandacht aan elk detail in het schilderij.

dialogue

/ˈdaɪ.ə.lɑːɡ/

(noun) dialoog, gesprek, overleg;

(verb) dialogeren, overleggen

Voorbeeld:

The movie had excellent dialogue, making the characters feel real.
De film had uitstekende dialoog, waardoor de personages echt aanvoelden.

dictionary

/ˈdɪk.ʃən.er.i/

(noun) woordenboek

Voorbeeld:

I looked up the word in the dictionary.
Ik zocht het woord op in het woordenboek.

die

/daɪ/

(verb) sterven, overlijden, uitvallen;

(noun) dobbelsteen

Voorbeeld:

Many plants die in the winter.
Veel planten sterven in de winter.

diet

/ˈdaɪ.ət/

(noun) dieet, voeding, kuur;

(verb) diëten, op dieet zijn

Voorbeeld:

A healthy diet includes plenty of fruits and vegetables.
Een gezond dieet omvat veel fruit en groenten.

difference

/ˈdɪf.ɚ.əns/

(noun) verschil, effect

Voorbeeld:

There's a big difference between knowing and doing.
Er is een groot verschil tussen weten en doen.

different

/ˈdɪf.ɚ.ənt/

(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk

Voorbeeld:

She wore a different dress to the party.
Ze droeg een andere jurk naar het feest.

difficult

/ˈdɪf.ə.kəlt/

(adjective) moeilijk, lastig, problematisch

Voorbeeld:

The exam questions were very difficult.
De examenvragen waren erg moeilijk.

dinner

/ˈdɪn.ɚ/

(noun) diner, avondeten

Voorbeeld:

What are we having for dinner tonight?
Wat eten we vanavond als avondeten?

dirty

/ˈdɝː.t̬i/

(adjective) vuil, vies, oneerlijk;

(verb) vuil maken, bevuilen

Voorbeeld:

His hands were dirty from working in the garden.
Zijn handen waren vuil van het werken in de tuin.

discuss

/dɪˈskʌs/

(verb) bespreken, discussiëren

Voorbeeld:

Let's discuss the new project during the meeting.
Laten we het nieuwe project bespreken tijdens de vergadering.

dish

/dɪʃ/

(noun) schaal, schotel, bord;

(verb) onthullen, verspreiden, opscheppen

Voorbeeld:

She placed the cooked vegetables on a serving dish.
Ze legde de gekookte groenten op een serveerschaal.

do

/də/

(verb) doen, uitvoeren, voltooien;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;

(noun) feest, evenement, kapsel

Voorbeeld:

What are you going to do today?
Wat ga je vandaag doen?

doctor

/ˈdɑːk.tɚ/

(noun) dokter, arts, doctor;

(verb) vervalsen, manipuleren, repareren

Voorbeeld:

The doctor examined the patient carefully.
De dokter onderzocht de patiënt zorgvuldig.

dog

/dɑːɡ/

(noun) hond, rotzak, smeerlap;

(verb) achtervolgen, volgen

Voorbeeld:

My neighbor's dog barks loudly every morning.
De hond van mijn buurman blaft elke ochtend luid.

dollar

/ˈdɑː.lɚ/

(noun) dollar

Voorbeeld:

This book costs ten dollars.
Dit boek kost tien dollar.

door

/dɔːr/

(noun) deur, huis, gebouw

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Sluit alstublieft de deur als u weggaat.

down

/daʊn/

(preposition) naar beneden, af, langs;

(adverb) naar beneden, onder, gedaald;

(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;

(noun) dons, fijne veren;

(verb) neerslaan, omverwerpen

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

draw

/drɑː/

(verb) tekenen, trekken, aantrekken;

(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht

Voorbeeld:

She likes to draw animals.
Ze houdt ervan om dieren te tekenen.

dress

/dres/

(noun) jurk;

(verb) aankleden, dresseren, bereiden

Voorbeeld:

She wore a beautiful blue dress to the party.
Ze droeg een prachtige blauwe jurk naar het feest.

drink

/drɪŋk/

(noun) drankje, drank, slok;

(verb) drinken, alcohol drinken

Voorbeeld:

Would you like a drink?
Wilt u een drankje?

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.

driver

/ˈdraɪ.vɚ/

(noun) chauffeur, bestuurder, driver

Voorbeeld:

The bus driver announced the next stop.
De buschauffeur kondigde de volgende halte aan.

during

/ˈdʊr.ɪŋ/

(preposition) tijdens, gedurende

Voorbeeld:

He slept soundly during the flight.
Hij sliep diep tijdens de vlucht.

DVD

/ˌdiː.viːˈdiː/

(noun) dvd

Voorbeeld:

Can you put the DVD in the player?
Kun je de dvd in de speler doen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland