Vocabulaireverzameling A1 - Letter D in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter D' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) vader, papa
Voorbeeld:
(verb) dansen, fladderen;
(noun) dans, dansfeest
Voorbeeld:
(noun) danser, danseres
Voorbeeld:
(noun) dansen, het dansen;
(verb) dansend, aan het dansen
Voorbeeld:
(adjective) gevaarlijk
Voorbeeld:
(adjective) donker, sinister;
(noun) donker, duisternis
Voorbeeld:
(noun) datum, afspraakje, date;
(verb) dateren, daten, uitgaan met
Voorbeeld:
(noun) dochter
Voorbeeld:
(noun) dag, tijd, periode;
(adverb) dagelijks, overdag
Voorbeeld:
(adjective) lief, dierbaar, geachte;
(noun) liefste, schat;
(exclamation) oh jee, ach
Voorbeeld:
(noun) december
Voorbeeld:
(verb) beslissen, besluiten, doen besluiten
Voorbeeld:
(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam
Voorbeeld:
(verb) beschrijven, omschrijven
Voorbeeld:
(noun) beschrijving, omschrijving
Voorbeeld:
(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;
(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor
Voorbeeld:
(noun) bureau, schrijftafel, balie
Voorbeeld:
(noun) detail, onderdeel;
(verb) gedetailleerd beschrijven, specificeren
Voorbeeld:
(noun) dialoog, gesprek, overleg;
(verb) dialogeren, overleggen
Voorbeeld:
(noun) woordenboek
Voorbeeld:
(verb) sterven, overlijden, uitvallen;
(noun) dobbelsteen
Voorbeeld:
(noun) dieet, voeding, kuur;
(verb) diëten, op dieet zijn
Voorbeeld:
(noun) verschil, effect
Voorbeeld:
(adjective) anders, verschillend, afzonderlijk
Voorbeeld:
(adjective) moeilijk, lastig, problematisch
Voorbeeld:
(noun) diner, avondeten
Voorbeeld:
(adjective) vuil, vies, oneerlijk;
(verb) vuil maken, bevuilen
Voorbeeld:
(verb) bespreken, discussiëren
Voorbeeld:
(noun) schaal, schotel, bord;
(verb) onthullen, verspreiden, opscheppen
Voorbeeld:
(verb) doen, uitvoeren, voltooien;
(auxiliary verb) hulpwerkwoord, benadrukken;
(noun) feest, evenement, kapsel
Voorbeeld:
(noun) dokter, arts, doctor;
(verb) vervalsen, manipuleren, repareren
Voorbeeld:
(noun) hond, rotzak, smeerlap;
(verb) achtervolgen, volgen
Voorbeeld:
(noun) deur, huis, gebouw
Voorbeeld:
(preposition) naar beneden, af, langs;
(adverb) naar beneden, onder, gedaald;
(adjective) naar beneden, omlaag, neerslachtig;
(noun) dons, fijne veren;
(verb) neerslaan, omverwerpen
Voorbeeld:
(adverb) beneden, naar beneden;
(adjective) beneden, onder;
(noun) benedenverdieping
Voorbeeld:
(verb) tekenen, trekken, aantrekken;
(noun) gelijkspel, trek, aantrekkingskracht
Voorbeeld:
(noun) jurk;
(verb) aankleden, dresseren, bereiden
Voorbeeld:
(noun) drankje, drank, slok;
(verb) drinken, alcohol drinken
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(noun) chauffeur, bestuurder, driver
Voorbeeld:
(preposition) tijdens, gedurende
Voorbeeld:
(noun) dvd
Voorbeeld: