Avatar of Vocabulary Set B1 - Essentiële werkwoorden 3

Vocabulaireverzameling B1 - Essentiële werkwoorden 3 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Essentiële werkwoorden 3' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

request

/rɪˈkwest/

(noun) verzoek, aanvraag;

(verb) verzoeken, aanvragen

Voorbeeld:

He made a request for more information.
Hij deed een verzoek om meer informatie.

require

/rɪˈkwaɪr/

(verb) vereisen, nodig hebben, verplichten

Voorbeeld:

The recipe requires three eggs.
Het recept vereist drie eieren.

revise

/rɪˈvaɪz/

(verb) herzien, reviseren, aanpassen

Voorbeeld:

Please revise your essay before submitting it.
Gelieve uw essay te herzien voordat u het indient.

risk

/rɪsk/

(noun) risico, gevaar;

(verb) riskeren, wagen

Voorbeeld:

Smoking increases the risk of heart disease.
Roken verhoogt het risico op hartziekten.

roll

/roʊl/

(verb) rollen, draaien, walsen;

(noun) rol, broodje

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

scan

/skæn/

(verb) scannen, vluchtig bekijken, digitaliseren;

(noun) scan, aftasting, beeld

Voorbeeld:

She scanned the newspaper headlines.
Ze scande de krantenkoppen.

separate

/ˈsep.ɚ.ət/

(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;

(adjective) gescheiden, apart

Voorbeeld:

The fence separates the two properties.
Het hek scheidt de twee eigendommen.

set

/set/

(verb) zetten, leggen, plaatsen;

(noun) set, reeks, stand;

(adjective) vastgesteld, vast

Voorbeeld:

She set the book on the table.
Ze zette het boek op tafel.

signal

/ˈsɪɡ.nəl/

(noun) signaal, teken, golf;

(verb) seinen, een teken geven

Voorbeeld:

He gave a signal to the driver to stop.
Hij gaf een signaal aan de chauffeur om te stoppen.

sink

/sɪŋk/

(verb) zinken, dalen, laten zinken;

(noun) gootsteen, wastafel

Voorbeeld:

The ship began to sink after hitting the iceberg.
Het schip begon te zinken na het raken van de ijsberg.

sort

/sɔːrt/

(noun) soort, type;

(verb) sorteren, ordenen, oplossen

Voorbeeld:

What sort of music do you like?
Wat voor soort muziek vind je leuk?

snore

/snɔːr/

(verb) snurken;

(noun) gesnurk

Voorbeeld:

He tends to snore loudly after a long day.
Hij heeft de neiging om luid te snurken na een lange dag.

sniff

/snɪf/

(verb) snuffelen, snuiven;

(noun) snif, snuif

Voorbeeld:

The dog began to sniff at the stranger's shoes.
De hond begon aan de schoenen van de vreemdeling te snuffelen.

stick

/stɪk/

(noun) stok, tak, lat;

(verb) plakken, kleven, steken

Voorbeeld:

He picked up a stick from the ground.
Hij raapte een stok van de grond op.

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

summarize

/ˈsʌm.ə.raɪz/

(verb) samenvatten, resumeren

Voorbeeld:

He summarized the key findings of the report.
Hij vatte de belangrijkste bevindingen van het rapport samen.

supply

/səˈplaɪ/

(noun) voorraad, levering;

(verb) leveren, voorzien

Voorbeeld:

The emergency services have a good supply of blood.
De hulpdiensten hebben een goede voorraad bloed.

survive

/sɚˈvaɪv/

(verb) overleven, voortbestaan, bewaard blijven

Voorbeeld:

Only the strongest will survive the harsh winter.
Alleen de sterksten zullen de strenge winter overleven.

switch

/swɪtʃ/

(noun) schakelaar, verandering, overstap;

(verb) omschakelen, wisselen, aan-/uitzetten

Voorbeeld:

Flip the switch to turn on the light.
Zet de schakelaar om om het licht aan te doen.

tend

/tend/

(verb) neigen, tendere, verzorgen

Voorbeeld:

People tend to be happier in the summer.
Mensen hebben de neiging gelukkiger te zijn in de zomer.

translate

/trænsˈleɪt/

(verb) vertalen, omzetten, overbrengen

Voorbeeld:

Can you translate this document from English to Spanish?
Kun je dit document van Engels naar Spaans vertalen?

upset

/ʌpˈset/

(verb) van streek maken, ontroeren, omstoten;

(adjective) van streek, boos, overstuur;

(noun) verrassing, omwenteling

Voorbeeld:

The news really upset her.
Het nieuws ontroerde haar echt.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.

yawn

/jɑːn/

(noun) gaap;

(verb) gapen

Voorbeeld:

He let out a big yawn during the boring lecture.
Hij liet een grote gaap ontsnappen tijdens de saaie lezing.

warm

/wɔːrm/

(adjective) warm, hartelijk;

(verb) opwarmen, verwarmen;

(adverb) warm, hartelijk

Voorbeeld:

The sun felt warm on my skin.
De zon voelde warm op mijn huid.

warn

/wɔːrn/

(verb) waarschuwen, voorlichten, adviseren

Voorbeeld:

We tried to warn them about the approaching storm.
We probeerden hen te waarschuwen voor de naderende storm.

waste

/weɪst/

(noun) afval, resten, verspilling;

(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;

(adjective) woest, braakliggend

Voorbeeld:

The factory produces a lot of chemical waste.
De fabriek produceert veel chemisch afval.

wave

/weɪv/

(noun) golf, zwaai, gebaar;

(verb) zwaaien, wenken, wapperen

Voorbeeld:

The boat was tossed by the large waves.
De boot werd heen en weer geslingerd door de grote golven.

wonder

/ˈwʌn.dɚ/

(noun) verwondering, wonder, fenomeen;

(verb) zich afvragen, verwonderen, verbazen

Voorbeeld:

The Grand Canyon filled them with wonder.
De Grand Canyon vervulde hen met verwondering.

pause

/pɑːz/

(noun) pauze, onderbreking;

(verb) pauzeren, onderbreken

Voorbeeld:

There was a brief pause in the conversation.
Er was een korte pauze in het gesprek.

notice

/ˈnoʊ.t̬ɪs/

(noun) aandacht, opmerking, kennisgeving;

(verb) opmerken, waarnemen

Voorbeeld:

He didn't take any notice of my warnings.
Hij schonk geen aandacht aan mijn waarschuwingen.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

respond

/rɪˈspɑːnd/

(verb) reageren, antwoorden, respons geven

Voorbeeld:

She didn't respond to my question.
Ze reageerde niet op mijn vraag.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland