Vocabulaireverzameling B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 1 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 1' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) geërgerd, geïrriteerd
Voorbeeld:
(adjective) automatisch, instinctief;
(noun) automaat, automatisch wapen, automatische auto
Voorbeeld:
(adjective) bewust, op de hoogte
Voorbeeld:
(adjective) menselijk, medelevend;
(noun) mens, menselijk wezen
Voorbeeld:
(adjective) basis, fundamenteel, eenvoudig
Voorbeeld:
(adjective) centraal, midden, essentieel
Voorbeeld:
(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;
(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex
Voorbeeld:
(adjective) verward, in de war, ongeordend
Voorbeeld:
(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk
Voorbeeld:
(noun) crimineel, misdadiger;
(adjective) crimineel, strafrechtelijk
Voorbeeld:
(adjective) cultureel, artistiek
Voorbeeld:
(adjective) huidig, actueel;
(noun) stroom, stroming, elektrische stroom
Voorbeeld:
(adjective) teleurgesteld
Voorbeeld:
(adjective) dronken;
(noun) dronkaard, alcoholist;
(past participle) gedronken
Voorbeeld:
(adjective) oostelijk, Oosters
Voorbeeld:
(adjective) genant, beschamend
Voorbeeld:
(adjective) gelijk, opgewassen tegen, capabel;
(noun) gelijke;
(verb) gelijk zijn aan, overeenkomen met
Voorbeeld:
(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) essentieel, noodzakelijk, wezenlijk;
(noun) essentiële zaken, benodigdheden
Voorbeeld:
(adjective) bekend, vertrouwd, bekend met
Voorbeeld:
(adjective) vast, vastgemaakt, bepaald;
(verb) repareren, herstellen, bevestigen
Voorbeeld:
(adjective) wereldwijd, globaal, universeel
Voorbeeld:
(adjective) historisch, uit het verleden
Voorbeeld:
(adjective) denkbeeldig, imaginair
Voorbeeld:
(adjective) binnen, binnenshuis
Voorbeeld:
(adjective) gewond, beschadigd, gekwetst;
(verb) verwonden, beschadigen, kwetsen
Voorbeeld:
(adjective) onschuldig, naïef;
(noun) onschuldige
Voorbeeld:
(adjective) juridisch, wettelijk, legaal
Voorbeeld:
(noun) magie, toverkunst, charme;
(adjective) magisch, betoverend;
(verb) toveren, wegtoveren
Voorbeeld:
(noun) inwoner, autochtoon;
(adjective) oorspronkelijk, moeder-, geboorte-
Voorbeeld:
(adjective) noordelijk
Voorbeeld:
(adjective) traditioneel, gebruikelijk
Voorbeeld:
(adjective) oud, oudtijds, bejaard
Voorbeeld:
(noun) geheim, truc;
(adjective) geheim, vertrouwelijk
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;
(adverb) grootspraak, arrogant
Voorbeeld:
(adjective) verborgen, geheim;
(past participle) verborgen, verstopt
Voorbeeld: