Avatar of Vocabulary Set B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 1

Vocabulaireverzameling B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 1 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Bijvoeglijke naamwoorden 1' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

annoyed

/əˈnɔɪd/

(adjective) geërgerd, geïrriteerd

Voorbeeld:

She was annoyed by the constant noise from her neighbors.
Ze was geërgerd door het constante lawaai van haar buren.

automatic

/ˌɑː.t̬əˈmæt̬.ɪk/

(adjective) automatisch, instinctief;

(noun) automaat, automatisch wapen, automatische auto

Voorbeeld:

The car has an automatic transmission.
De auto heeft een automatische transmissie.

aware

/əˈwer/

(adjective) bewust, op de hoogte

Voorbeeld:

Are you aware of the risks involved?
Ben je bewust van de risico's?

human

/ˈhjuː.mən/

(adjective) menselijk, medelevend;

(noun) mens, menselijk wezen

Voorbeeld:

The ability to reason is a unique human trait.
Het vermogen om te redeneren is een unieke menselijke eigenschap.

basic

/ˈbeɪ.sɪk/

(adjective) basis, fundamenteel, eenvoudig

Voorbeeld:

The basic principles of physics are taught in high school.
De basisprincipes van de natuurkunde worden op de middelbare school onderwezen.

central

/ˈsen.trəl/

(adjective) centraal, midden, essentieel

Voorbeeld:

The park is in the central part of the city.
Het park ligt in het centrale deel van de stad.

complex

/kɑːmˈpleks/

(adjective) complex, ingewikkeld, moeilijk te begrijpen;

(noun) complex, gebouwencomplex, minderwaardigheidscomplex

Voorbeeld:

The human brain is a highly complex organ.
Het menselijk brein is een zeer complex orgaan.

confused

/kənˈfjuːzd/

(adjective) verward, in de war, ongeordend

Voorbeeld:

She felt completely confused after waking up from the long nap.
Ze voelde zich volledig verward na het ontwaken uit de lange dut.

convenient

/kənˈviː.ni.ənt/

(adjective) handig, gemakkelijk, gebruiksvriendelijk

Voorbeeld:

It's very convenient to have a supermarket nearby.
Het is erg handig om een supermarkt in de buurt te hebben.

criminal

/ˈkrɪm.ə.nəl/

(noun) crimineel, misdadiger;

(adjective) crimineel, strafrechtelijk

Voorbeeld:

The police arrested the criminal after a long chase.
De politie arresteerde de crimineel na een lange achtervolging.

cultural

/ˈkʌl.tʃɚ.əl/

(adjective) cultureel, artistiek

Voorbeeld:

The museum showcases the rich cultural heritage of the region.
Het museum toont het rijke culturele erfgoed van de regio.

current

/ˈkɝː.ənt/

(adjective) huidig, actueel;

(noun) stroom, stroming, elektrische stroom

Voorbeeld:

What's your current address?
Wat is je huidige adres?

disappointed

/ˌdɪs.əˈpɔɪn.t̬ɪd/

(adjective) teleurgesteld

Voorbeeld:

She was deeply disappointed with her exam results.
Ze was diep teleurgesteld over haar examenresultaten.

drunk

/drʌŋk/

(adjective) dronken;

(noun) dronkaard, alcoholist;

(past participle) gedronken

Voorbeeld:

He was so drunk he could barely stand.
Hij was zo dronken dat hij nauwelijks kon staan.

eastern

/ˈiː.stɚn/

(adjective) oostelijk, Oosters

Voorbeeld:

The sun rises in the eastern sky.
De zon komt op aan de oostelijke hemel.

embarrassing

/ɪmˈber.ə.sɪŋ/

(adjective) genant, beschamend

Voorbeeld:

It was so embarrassing when I tripped in front of everyone.
Het was zo genant toen ik voor iedereen struikelde.

equal

/ˈiː.kwəl/

(adjective) gelijk, opgewassen tegen, capabel;

(noun) gelijke;

(verb) gelijk zijn aan, overeenkomen met

Voorbeeld:

All men are created equal.
Alle mensen zijn gelijk geschapen.

huge

/hjuːdʒ/

(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk

Voorbeeld:

The company made a huge profit this quarter.
Het bedrijf maakte dit kwartaal een enorme winst.

essential

/ɪˈsen.ʃəl/

(adjective) essentieel, noodzakelijk, wezenlijk;

(noun) essentiële zaken, benodigdheden

Voorbeeld:

Water is essential for life.
Water is essentieel voor het leven.

familiar

/fəˈmɪl.i.jɚ/

(adjective) bekend, vertrouwd, bekend met

Voorbeeld:

His face looked familiar, but I couldn't place him.
Zijn gezicht zag er bekend uit, maar ik kon hem niet plaatsen.

fixed

/fɪkst/

(adjective) vast, vastgemaakt, bepaald;

(verb) repareren, herstellen, bevestigen

Voorbeeld:

The shelf is fixed to the wall.
De plank is vastgemaakt aan de muur.

global

/ˈɡloʊ.bəl/

(adjective) wereldwijd, globaal, universeel

Voorbeeld:

Climate change is a global issue that affects everyone.
Klimaatverandering is een wereldwijd probleem dat iedereen treft.

historical

/hɪˈstɔːr.ɪ.kəl/

(adjective) historisch, uit het verleden

Voorbeeld:

The museum has many historical artifacts.
Het museum heeft veel historische artefacten.

imaginary

/ɪˈmædʒ.ə.ner.i/

(adjective) denkbeeldig, imaginair

Voorbeeld:

Dragons are imaginary creatures.
Draken zijn denkbeeldige wezens.

indoor

/ˌɪnˈdɔːr/

(adjective) binnen, binnenshuis

Voorbeeld:

We played indoor games because of the rain.
We speelden binnenshuis spelletjes vanwege de regen.

injured

/ˈɪn.dʒɚd/

(adjective) gewond, beschadigd, gekwetst;

(verb) verwonden, beschadigen, kwetsen

Voorbeeld:

The player was injured during the game and had to leave the field.
De speler raakte geblesseerd tijdens de wedstrijd en moest het veld verlaten.

innocent

/ˈɪn.ə.sənt/

(adjective) onschuldig, naïef;

(noun) onschuldige

Voorbeeld:

The jury found him innocent of all charges.
De jury bevond hem onschuldig aan alle aanklachten.

legal

/ˈliː.ɡəl/

(adjective) juridisch, wettelijk, legaal

Voorbeeld:

He sought legal advice from a lawyer.
Hij zocht juridisch advies bij een advocaat.

magic

/ˈmædʒ.ɪk/

(noun) magie, toverkunst, charme;

(adjective) magisch, betoverend;

(verb) toveren, wegtoveren

Voorbeeld:

She believed in the power of magic.
Ze geloofde in de kracht van magie.

native

/ˈneɪ.t̬ɪv/

(noun) inwoner, autochtoon;

(adjective) oorspronkelijk, moeder-, geboorte-

Voorbeeld:

She is a native of Paris.
Zij is een inwoner van Parijs.

northern

/ˈnɔːr.ðɚn/

(adjective) noordelijk

Voorbeeld:

The northern lights are a beautiful phenomenon.
Het noorderlicht is een prachtig fenomeen.

traditional

/trəˈdɪʃ.ən.əl/

(adjective) traditioneel, gebruikelijk

Voorbeeld:

The village still follows traditional customs.
Het dorp volgt nog steeds traditionele gebruiken.

ancient

/ˈeɪn.ʃənt/

(adjective) oud, oudtijds, bejaard

Voorbeeld:

The pyramids are ancient structures.
De piramides zijn oude bouwwerken.

secret

/ˈsiː.krət/

(noun) geheim, truc;

(adjective) geheim, vertrouwelijk

Voorbeeld:

Can you keep a secret?
Kun je een geheim bewaren?

big

/bɪɡ/

(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;

(adverb) grootspraak, arrogant

Voorbeeld:

He lives in a big house.
Hij woont in een groot huis.

hidden

/ˈhɪd.ən/

(adjective) verborgen, geheim;

(past participle) verborgen, verstopt

Voorbeeld:

The treasure was hidden in a secret cave.
De schat was verborgen in een geheime grot.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland