Vocabulaireverzameling A2 - Weer in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Weer' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) klimaat, sfeer
Voorbeeld:
(noun) staat, conditie, voorwaarde;
(verb) conditioneren, trainen
Voorbeeld:
(noun) lucht, sfeer, uitstraling;
(verb) uiten, uitzenden, ventileren
Voorbeeld:
(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;
(noun) verkoudheid
Voorbeeld:
(noun) hitte, warmte, hartstocht;
(verb) verwarmen, opwarmen
Voorbeeld:
(noun) wind, adem, lucht;
(verb) winden, kronkelen, opwinden
Voorbeeld:
(adjective) winderig, bochtig, kronkelig
Voorbeeld:
(noun) mist, verwarring;
(verb) beslaan, vertroebelen, verward raken
Voorbeeld:
(adjective) mistig, nevelig, wazig
Voorbeeld:
(noun) bries, windje, makkie;
(verb) gemakkelijk doorgaan, snel bewegen
Voorbeeld:
(noun) storm, onweer, uitbarsting;
(verb) stormen, bestormen, aanvallen
Voorbeeld:
(adjective) stormachtig, onstuimig, gepassioneerd
Voorbeeld:
(noun) sneeuwstorm, blizzard
Voorbeeld:
(noun) sneeuwstorm
Voorbeeld:
(noun) onweersbui, donderstorm
Voorbeeld:
(noun) hagel, begroeting, roep;
(verb) hagelen, roepen, aanroepen;
(exclamation) gegroet
Voorbeeld:
(adjective) warm, hartelijk;
(verb) opwarmen, verwarmen;
(adverb) warm, hartelijk
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(adjective) vrieskoud, ijskoud;
(noun) bevriezing, vriezen
Voorbeeld:
(adjective) fris, kil, koel
Voorbeeld:
(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;
(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(adjective) donker, sinister;
(noun) donker, duisternis
Voorbeeld:
(noun) licht, lamp, lichtbron;
(verb) aansteken, verlichten;
(adjective) licht
Voorbeeld:
(adjective) nat, vochtig, regenachtig;
(verb) natmaken, bevochtigen
Voorbeeld:
(adjective) droog, dor, dorstig;
(verb) drogen
Voorbeeld:
(verb) waaien, blazen, opblazen;
(noun) windvlaag, stoot, klap
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(adjective) verschrikkelijk, afschuwelijk, vreselijk;
(adverb) verschrikkelijk, erg
Voorbeeld:
(adjective) mild, licht, zachtaardig
Voorbeeld:
(adjective) ernstig, hevig, streng
Voorbeeld:
(noun) sneeuw;
(verb) sneeuwen
Voorbeeld:
(noun) regen;
(verb) regenen
Voorbeeld: