Avatar of Vocabulary Set A2 - Reizen en Toerisme 2

Vocabulaireverzameling A2 - Reizen en Toerisme 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Reizen en Toerisme 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

vacation

/veɪˈkeɪ.ʃən/

(noun) vakantie;

(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan

Voorbeeld:

We're planning a family vacation to the beach next month.
We plannen volgende maand een familievakantie naar het strand.

adventure

/ədˈven.tʃɚ/

(noun) avontuur, spanning;

(verb) avonturieren, wagen

Voorbeeld:

They went on a thrilling adventure in the Amazon rainforest.
Ze gingen op een spannende avontuur in het Amazoneregenwoud.

journey

/ˈdʒɝː.ni/

(noun) reis, tocht, proces;

(verb) reizen, trekken

Voorbeeld:

The journey from London to Paris takes about two hours by train.
De reis van Londen naar Parijs duurt ongeveer twee uur met de trein.

cruise

/kruːz/

(noun) cruise, zeereis;

(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden

Voorbeeld:

They went on a Caribbean cruise for their honeymoon.
Ze gingen op een Caribische cruise voor hun huwelijksreis.

trip

/trɪp/

(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;

(verb) struikelen, vallen, reizen

Voorbeeld:

We're planning a weekend trip to the mountains.
We plannen een weekendtrip naar de bergen.

foreign

/ˈfɔːr.ən/

(adjective) vreemd, buitenlands, onbekend

Voorbeeld:

She speaks three foreign languages fluently.
Ze spreekt vloeiend drie vreemde talen.

foreigner

/ˈfɔːr.ə.nɚ/

(noun) buitenlander, vreemdeling

Voorbeeld:

Many foreigners visit our city every year.
Veel buitenlanders bezoeken onze stad elk jaar.

motel

/moʊˈtel/

(noun) motel

Voorbeeld:

We stayed at a cheap motel on the outskirts of town.
We verbleven in een goedkoop motel aan de rand van de stad.

cancellation

/ˌkæn.səlˈeɪ.ʃən/

(noun) annulering, opheffing

Voorbeeld:

The flight cancellation caused a lot of inconvenience.
De vluchtannulering veroorzaakte veel ongemak.

reservation

/ˌrez.ɚˈveɪ.ʃən/

(noun) reservering, boeking, bedenking

Voorbeeld:

I made a dinner reservation for two at 7 PM.
Ik heb een dinerreservering gemaakt voor twee om 19.00 uur.

reserve

/rɪˈzɝːv/

(noun) reserve, voorraad, reservaat;

(verb) reserveren, voorbehouden, behouden;

(adjective) reserve, extra

Voorbeeld:

The country has large oil reserves.
Het land heeft grote oliereserves.

visa

/ˈviː.zə/

(noun) visum;

(verb) viseren, een visum verlenen;

(trademark) Visa, Visa-kaart

Voorbeeld:

I need to apply for a visa to travel to that country.
Ik moet een visum aanvragen om naar dat land te reizen.

stay

/steɪ/

(verb) blijven, verblijven, voortduren;

(noun) verblijf, logeerpartij

Voorbeeld:

Please stay here until I return.
Blijf hier alstublieft totdat ik terugkom.

postcard

/ˈpoʊst.kɑːrd/

(noun) ansichtkaart, postkaart

Voorbeeld:

I sent my family a postcard from Paris.
Ik stuurde mijn familie een ansichtkaart vanuit Parijs.

souvenir

/ˌsuː.vəˈnɪr/

(noun) souvenir, aandenken

Voorbeeld:

I bought a small statue as a souvenir of my trip to Paris.
Ik kocht een klein beeldje als souvenir van mijn reis naar Parijs.

visit

/ˈvɪz.ɪt/

(verb) bezoeken;

(noun) bezoek, huisbezoek

Voorbeeld:

I'm going to visit my grandparents next weekend.
Ik ga volgend weekend mijn grootouders bezoeken.

sightsee

/ˈsaɪt.siː/

(verb) sightseeën, bezienswaardigheden bekijken

Voorbeeld:

We plan to sightsee in Paris next summer.
We zijn van plan om volgend jaar zomer in Parijs te sightseeën.

check in

/tʃek ɪn/

(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen

Voorbeeld:

We need to check in at the hotel before 3 PM.
We moeten inchecken bij het hotel voor 15.00 uur.

check out

/tʃek aʊt/

(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken

Voorbeeld:

Can you check out the new security system?
Kun je het nieuwe beveiligingssysteem controleren?

abroad

/əˈbrɑːd/

(adverb) in het buitenland, naar het buitenland, overal

Voorbeeld:

She decided to study abroad for a year.
Ze besloot een jaar in het buitenland te studeren.

change

/tʃeɪndʒ/

(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;

(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen

Voorbeeld:

We need to make some changes to the plan.
We moeten enkele wijzigingen aanbrengen in het plan.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

land

/lænd/

(noun) land, grond, perceel;

(verb) landen, neerlaten, bemachtigen

Voorbeeld:

The ship finally reached land after a long journey.
Het schip bereikte eindelijk land na een lange reis.

take off

/teɪk ɔf/

(phrasal verb) uitdoen, afdoen, opstijgen

Voorbeeld:

Please take off your shoes before entering the house.
Gelieve uw schoenen uit te doen voordat u het huis binnengaat.

schedule

/ˈskedʒ.uːl/

(noun) schema, rooster, tijdschema;

(verb) plannen, inplannen

Voorbeeld:

I need to check my schedule for next week.
Ik moet mijn schema voor volgende week controleren.

wander

/ˈwɑːn.dɚ/

(verb) dwalen, rondzwerven, kronkelen

Voorbeeld:

We spent the afternoon wandering through the old town.
We brachten de middag door met ronddwalen door de oude stad.

arrival

/əˈraɪ.vəl/

(noun) aankomst, komst, aanwinst

Voorbeeld:

We waited for their arrival at the airport.
We wachtten op hun aankomst op de luchthaven.

departure

/dɪˈpɑːr.tʃɚ/

(noun) vertrek, afreis, afwijking

Voorbeeld:

Our departure was delayed due to bad weather.
Ons vertrek werd vertraagd door slecht weer.

customs

/ˈkʌs·təmz/

(noun) douane, gewoonte, gebruik

Voorbeeld:

We had to declare the goods at customs.
We moesten de goederen aangeven bij de douane.

ride

/raɪd/

(verb) rijden, nemen;

(noun) rit, tocht, lift

Voorbeeld:

She loves to ride her horse every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend op haar paard te rijden.

leave

/liːv/

(verb) verlaten, vertrekken, laten;

(noun) verlof, vrij, toestemming

Voorbeeld:

She decided to leave the party early.
Ze besloot het feest vroeg te verlaten.

arrive

/əˈraɪv/

(verb) aankomen, bereiken, aanbreken

Voorbeeld:

We will arrive at the airport by noon.
We zullen tegen de middag op de luchthaven aankomen.

cancel

/ˈkæn.səl/

(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;

(noun) annulering, doorhaling

Voorbeeld:

We had to cancel our trip due to bad weather.
We moesten onze reis annuleren vanwege slecht weer.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland