Vocabulaireverzameling A2 - Reizen en Toerisme 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Reizen en Toerisme 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) vakantie;
(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan
Voorbeeld:
(noun) avontuur, spanning;
(verb) avonturieren, wagen
Voorbeeld:
(noun) reis, tocht, proces;
(verb) reizen, trekken
Voorbeeld:
(noun) cruise, zeereis;
(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden
Voorbeeld:
(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;
(verb) struikelen, vallen, reizen
Voorbeeld:
(adjective) vreemd, buitenlands, onbekend
Voorbeeld:
(noun) buitenlander, vreemdeling
Voorbeeld:
(noun) motel
Voorbeeld:
(noun) annulering, opheffing
Voorbeeld:
(noun) reservering, boeking, bedenking
Voorbeeld:
(noun) reserve, voorraad, reservaat;
(verb) reserveren, voorbehouden, behouden;
(adjective) reserve, extra
Voorbeeld:
(noun) visum;
(verb) viseren, een visum verlenen;
(trademark) Visa, Visa-kaart
Voorbeeld:
(verb) blijven, verblijven, voortduren;
(noun) verblijf, logeerpartij
Voorbeeld:
(noun) ansichtkaart, postkaart
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(verb) bezoeken;
(noun) bezoek, huisbezoek
Voorbeeld:
(verb) sightseeën, bezienswaardigheden bekijken
Voorbeeld:
(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(adverb) in het buitenland, naar het buitenland, overal
Voorbeeld:
(noun) verandering, wijziging, wisselgeld;
(verb) veranderen, wijzigen, omwisselen
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(noun) land, grond, perceel;
(verb) landen, neerlaten, bemachtigen
Voorbeeld:
(phrasal verb) uitdoen, afdoen, opstijgen
Voorbeeld:
(noun) schema, rooster, tijdschema;
(verb) plannen, inplannen
Voorbeeld:
(verb) dwalen, rondzwerven, kronkelen
Voorbeeld:
(noun) aankomst, komst, aanwinst
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(noun) douane, gewoonte, gebruik
Voorbeeld:
(verb) rijden, nemen;
(noun) rit, tocht, lift
Voorbeeld:
(verb) verlaten, vertrekken, laten;
(noun) verlof, vrij, toestemming
Voorbeeld:
(verb) aankomen, bereiken, aanbreken
Voorbeeld:
(verb) annuleren, afgelasten, doorstrepen;
(noun) annulering, doorhaling
Voorbeeld: