Vocabulaireverzameling Huishouding in Huis en Tuin: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Huishouding' in 'Huis en Tuin' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schoonmaak, reiniging;
(verb) schoonmakend;
(adjective) schoonmaak
Voorbeeld:
(noun) huishoudelijk werk, huishouden
Voorbeeld:
(noun) voorjaarsschoonmaak, grote schoonmaak, opschoning
Voorbeeld:
(noun) klusje, karwei, huishoudelijke taak
Voorbeeld:
(noun) tuinwerk, tuinonderhoud
Voorbeeld:
(adjective) huiselijk, huishoudelijk, binnenlands;
(noun) huishoudster, dienstbode
Voorbeeld:
(noun) huiselijkheid, gezinsleven
Voorbeeld:
(noun) huisreparatie, woningonderhoud
Voorbeeld:
(noun) stof;
(verb) afstoffen, bestrooien, besprenkelen
Voorbeeld:
(verb) recyclen, hergebruiken, opnieuw gebruiken
Voorbeeld:
(noun) dweil, zwabber, bos;
(verb) dweilen, zwabberen
Voorbeeld:
(noun) poetsmiddel, glansmiddel;
(verb) poetsen, polijsten, verbeteren;
(adjective) Pools
Voorbeeld:
(noun) vacuüm, stofzuiger;
(verb) stofzuigen
Voorbeeld:
(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;
(noun) wasbeurt, wassen, laag
Voorbeeld:
(verb) schrobben, boenen, schrappen;
(noun) schrobbeurt, boenbeurt, struikgewas;
(adjective) onbelangrijk, minderwaardig
Voorbeeld:
(adjective) leeg, zinloos;
(verb) legen, leegmaken
Voorbeeld:
(adjective) droog, dor, dorstig;
(verb) drogen
Voorbeeld:
(verb) vegen, afvegen, verwijderen;
(noun) veeg, afveegbeurt
Voorbeeld:
(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;
(noun) vouw, kudde, groep
Voorbeeld:
(verb) koken, bereiden;
(noun) kok, chef-kok
Voorbeeld:
(adjective) schoon, rein, zuiver;
(verb) schoonmaken, reinigen;
(adverb) schoon, helemaal
Voorbeeld:
(verb) ordenen, organiseren, regelen
Voorbeeld:
(verb) meubileren, inrichten, verschaffen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opdrogen, uitdrogen, opraken
Voorbeeld:
(noun) ijzer, strijkijzer;
(verb) strijken;
(adjective) ijzeren
Voorbeeld:
(verb) lossen, uitladen, ontladen
Voorbeeld:
(verb) druppelvrij drogen, strijkvrij drogen;
(adjective) druppelvrij, strijkvrij
Voorbeeld:
(verb) drukken, persen, strijken;
(noun) pers, media, drukpers
Voorbeeld:
(adjective) nat, vochtig, regenachtig;
(verb) natmaken, bevochtigen
Voorbeeld:
(verb) uitvouwen, ontvouwen, onthullen
Voorbeeld:
(verb) wassen en strijken, wassen, witwassen
Voorbeeld:
(verb) vegen, buigen, bestrijken;
(noun) veeg, veegbeurt, bocht
Voorbeeld: