Avatar of Vocabulary Set Huishouding

Vocabulaireverzameling Huishouding in Huis en Tuin: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Huishouding' in 'Huis en Tuin' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cleaning

/ˈkliː.nɪŋ/

(noun) schoonmaak, reiniging;

(verb) schoonmakend;

(adjective) schoonmaak

Voorbeeld:

The house needs a thorough cleaning.
Het huis heeft een grondige schoonmaak nodig.

housework

/ˈhaʊs.wɝːk/

(noun) huishoudelijk werk, huishouden

Voorbeeld:

She spends her weekends doing housework.
Ze besteedt haar weekenden aan huishoudelijk werk.

spring-cleaning

/ˈsprɪŋˌkliːnɪŋ/

(noun) voorjaarsschoonmaak, grote schoonmaak, opschoning

Voorbeeld:

We do a full spring-cleaning every year.
We doen elk jaar een grondige voorjaarsschoonmaak.

chore

/tʃɔːr/

(noun) klusje, karwei, huishoudelijke taak

Voorbeeld:

Doing the dishes is my least favorite chore.
De afwas doen is mijn minst favoriete klusje.

yardwork

/ˈjɑːrd.wɝːk/

(noun) tuinwerk, tuinonderhoud

Voorbeeld:

I spent all Saturday doing yardwork.
Ik heb de hele zaterdag tuinwerk gedaan.

domestic

/dəˈmes.tɪk/

(adjective) huiselijk, huishoudelijk, binnenlands;

(noun) huishoudster, dienstbode

Voorbeeld:

She is responsible for all domestic chores.
Zij is verantwoordelijk voor alle huishoudelijke taken.

domesticity

/ˌdoʊ.mesˈtɪs.ə.t̬i/

(noun) huiselijkheid, gezinsleven

Voorbeeld:

She found comfort in the quiet domesticity of her new home.
Ze vond troost in de rustige huiselijkheid van haar nieuwe huis.

home repair

/hoʊm rɪˈper/

(noun) huisreparatie, woningonderhoud

Voorbeeld:

He spent the weekend doing some home repair around the house.
Hij bracht het weekend door met wat huisreparaties in huis.

dust

/dʌst/

(noun) stof;

(verb) afstoffen, bestrooien, besprenkelen

Voorbeeld:

The old books were covered in a thick layer of dust.
De oude boeken waren bedekt met een dikke laag stof.

recycle

/ˌriːˈsaɪ.kəl/

(verb) recyclen, hergebruiken, opnieuw gebruiken

Voorbeeld:

We need to recycle plastic bottles and paper.
We moeten plastic flessen en papier recyclen.

mop

/mɑːp/

(noun) dweil, zwabber, bos;

(verb) dweilen, zwabberen

Voorbeeld:

She used a mop to clean up the spilled water.
Ze gebruikte een dweil om het gemorste water op te ruimen.

polish

/ˈpɑː.lɪʃ/

(noun) poetsmiddel, glansmiddel;

(verb) poetsen, polijsten, verbeteren;

(adjective) Pools

Voorbeeld:

She applied a coat of furniture polish to the table.
Ze bracht een laag meubelpoets aan op de tafel.

vacuum

/ˈvæk.juːm/

(noun) vacuüm, stofzuiger;

(verb) stofzuigen

Voorbeeld:

Scientists created a near-perfect vacuum in the lab.
Wetenschappers creëerden een bijna perfect vacuüm in het laboratorium.

wash

/wɑːʃ/

(verb) wassen, reinigen, wasbaar zijn;

(noun) wasbeurt, wassen, laag

Voorbeeld:

Please wash your hands before dinner.
Gelieve uw handen te wassen voor het avondeten.

scrub

/skrʌb/

(verb) schrobben, boenen, schrappen;

(noun) schrobbeurt, boenbeurt, struikgewas;

(adjective) onbelangrijk, minderwaardig

Voorbeeld:

She had to scrub the floor until it shone.
Ze moest de vloer schrobben tot hij glom.

empty

/ˈemp.ti/

(adjective) leeg, zinloos;

(verb) legen, leegmaken

Voorbeeld:

The box was completely empty.
De doos was helemaal leeg.

dry

/draɪ/

(adjective) droog, dor, dorstig;

(verb) drogen

Voorbeeld:

The clothes are still dry.
De kleren zijn nog steeds droog.

wipe

/waɪp/

(verb) vegen, afvegen, verwijderen;

(noun) veeg, afveegbeurt

Voorbeeld:

She wiped the counter with a damp cloth.
Ze veegde het aanrecht schoon met een vochtige doek.

fold

/foʊld/

(verb) vouwen, opvouwen, failliet gaan;

(noun) vouw, kudde, groep

Voorbeeld:

She carefully folded the letter and put it in an envelope.
Ze vouwde de brief zorgvuldig op en stopte hem in een envelop.

cook

/kʊk/

(verb) koken, bereiden;

(noun) kok, chef-kok

Voorbeeld:

She loves to cook Italian food.
Ze houdt ervan om Italiaans eten te koken.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

organize

/ˈɔːr.ɡən.aɪz/

(verb) ordenen, organiseren, regelen

Voorbeeld:

She helped him organize his thoughts.
Ze hielp hem zijn gedachten te ordenen.

furnish

/ˈfɝː.nɪʃ/

(verb) meubileren, inrichten, verschaffen

Voorbeeld:

They plan to furnish the new apartment with modern decor.
Ze zijn van plan het nieuwe appartement met modern decor te meubileren.

dry up

/draɪ ˈʌp/

(phrasal verb) opdrogen, uitdrogen, opraken

Voorbeeld:

The river began to dry up during the long drought.
De rivier begon op te drogen tijdens de lange droogte.

iron

/aɪrn/

(noun) ijzer, strijkijzer;

(verb) strijken;

(adjective) ijzeren

Voorbeeld:

The bridge was built with steel and iron.
De brug werd gebouwd met staal en ijzer.

unload

/ʌnˈloʊd/

(verb) lossen, uitladen, ontladen

Voorbeeld:

They began to unload the truck.
Ze begonnen de vrachtwagen te lossen.

drip-dry

/ˈdrɪp.draɪ/

(verb) druppelvrij drogen, strijkvrij drogen;

(adjective) druppelvrij, strijkvrij

Voorbeeld:

These shirts are made of a fabric that will drip-dry.
Deze overhemden zijn gemaakt van een stof die druppelvrij droogt.

press

/pres/

(verb) drukken, persen, strijken;

(noun) pers, media, drukpers

Voorbeeld:

Press the button to start the machine.
Druk op de knop om de machine te starten.

wet

/wet/

(adjective) nat, vochtig, regenachtig;

(verb) natmaken, bevochtigen

Voorbeeld:

My clothes got completely wet in the rain.
Mijn kleren werden helemaal nat in de regen.

unfold

/ʌnˈfoʊld/

(verb) uitvouwen, ontvouwen, onthullen

Voorbeeld:

She carefully unfolded the map.
Ze vouwde de kaart voorzichtig uit.

launder

/ˈlɑːn.dɚ/

(verb) wassen en strijken, wassen, witwassen

Voorbeeld:

She needs to launder her work uniforms every week.
Ze moet haar werkuniformen elke week wassen en strijken.

sweep

/swiːp/

(verb) vegen, buigen, bestrijken;

(noun) veeg, veegbeurt, bocht

Voorbeeld:

She used a broom to sweep the kitchen floor.
Ze gebruikte een bezem om de keukenvloer te vegen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland