Vocabulaireverzameling Onenigheid en Oppositie 5 in Overeenkomst: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Onenigheid en Oppositie 5' in 'Overeenkomst' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(idiom) uit elkaar gaan, afstand doen van
Voorbeeld:
(idiom) ruzie zoeken, een conflict uitlokken
Voorbeeld:
(noun) polariteit, tegenstelling
Voorbeeld:
(noun) polarisatie, verdeling
Voorbeeld:
(verb) polariseren, splijten
Voorbeeld:
(noun) protest, bezwaar;
(verb) protesteren, bezwaar maken
Voorbeeld:
(noun) provocatie, uitlokking, aanleiding
Voorbeeld:
(adjective) provocerend, uitdagend, verleidelijk
Voorbeeld:
(adverb) uitdagend, provocerend
Voorbeeld:
(verb) uitlokken, provoceren, aanzetten tot
Voorbeeld:
(adjective) strijdlustig, vechtlustig, agressief
Voorbeeld:
(adverb) strijdlustig, agressief, vechtlustig
Voorbeeld:
(noun) strijdlust, vechtlust, agressiviteit
Voorbeeld:
(noun) ruzie, geschil;
(verb) ruziën, twisten
Voorbeeld:
(adjective) ruzieachtig, twistziek
Voorbeeld:
(noun) muggenzifterij, haarkloverij;
(verb) muggenziften, haarkloven
Voorbeeld:
(noun) scheur, spleet, breuk;
(verb) scheuren, splijten
Voorbeeld:
(adjective) gespleten, verscheurd;
(past participle) gespleten, verscheurd
Voorbeeld:
(noun) rij, ruzie, geschil;
(verb) roeien, ruziën, bekvechten
Voorbeeld:
(noun) ophef, herrie, lawaai
Voorbeeld:
(plural noun) ruzie, gedoe, ophef
Voorbeeld:
(noun) aanvaring, ruzie, conflict
Voorbeeld:
(noun) scène, plaats, ophef
Voorbeeld:
(noun) scheuring, schisma
Voorbeeld:
(noun) schroot, stukje, restje;
(verb) schrappen, afvoeren, vechten
Voorbeeld:
(noun) ruzie, confrontatie, aanvaring
Voorbeeld:
(noun) onruststoker, ruziezoeker
Voorbeeld:
(noun) schot, afvuren, poging;
(past tense) schoot, opgenomen;
(past participle) schoot, opgenomen
Voorbeeld:
(noun) schreeuwpartij, scheldpartij
Voorbeeld:
(noun) confrontatie, afrekening, beslissende strijd
Voorbeeld:
(adjective) vinnig, bazig, nukkig
Voorbeeld:
(noun) kant, zijde, aspect;
(adjective) zijdelings, zij-;
(verb) kant kiezen, bekleden
Voorbeeld:
(noun) schermutseling, gevechtje, ruzie;
(verb) schermutselen, vechten
Voorbeeld:
(noun) slugfest, vechtpartij
Voorbeeld:
(verb) sparren, oefenen;
(noun) mast, spier, spaat
Voorbeeld:
(noun) sparringpartner, gesprekspartner
Voorbeeld:
(noun) ruzie, kibbelpartij, twist;
(past tense) spuugde, gespuugd
Voorbeeld:
(verb) splitsen, verdelen, splijten;
(noun) splitsing, scheiding, spagaat;
(adjective) gespleten, verdeeld
Voorbeeld:
(noun) ruzie, kibbelpartij;
(verb) kibbelen, ruziemaken
Voorbeeld: