Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 16 - Handelsakkoord: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 16 - Handelsakkoord' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adverb) volledig, helemaal
Voorbeeld:
(verb) weigeren, afwijzen;
(noun) afval, vuilnis
Voorbeeld:
(adverb) tijdelijk
Voorbeeld:
(noun) handelaar, dealer, drugsdealer
Voorbeeld:
(noun) grootste deel, meerderheid, omvang;
(verb) aankomen, uitbreiden
Voorbeeld:
(noun) inventaris, voorraad, goederen;
(verb) inventariseren, opmaken
Voorbeeld:
(adjective) kort, tekort, onvoldoende;
(adverb) abrupt, plotseling;
(verb) voorschieten, lenen
Voorbeeld:
(noun) kosten, prijs, opoffering;
(verb) kosten, resulteren in verlies
Voorbeeld:
(noun) selectie, keuze, collectie
Voorbeeld:
(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;
(noun) reclamespot, commercial
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
(verb) verschaffen, leveren, voorzien
Voorbeeld:
(noun) contact, aanraking, contactpersoon;
(verb) contact opnemen met, bereiken, aanraken
Voorbeeld:
(noun) factuur;
(verb) factureren
Voorbeeld:
(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;
(noun) beweging, zet, verhuizing
Voorbeeld:
(noun) voorraad, levering;
(verb) leveren, voorzien
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(verb) distribueren, verdelen, verspreiden
Voorbeeld:
(noun) verwerving, aanleren, aanwinst
Voorbeeld:
(verb) verzekeren, garanderen
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(verb) zoeken, trachten, vragen
Voorbeeld:
(adjective) bevredigend, voldoende
Voorbeeld:
(noun) bevestiging, vormsel
Voorbeeld:
(adjective) niet in staat, onbekwaam
Voorbeeld:
(noun) betaling, afrekening, bedrag
Voorbeeld:
(verb) meten, opmeten, bedragen;
(noun) maatstaf, meetmethode, maatregel
Voorbeeld:
(noun) koopje, aanbieding, overeenkomst;
(verb) onderhandelen, afdingen
Voorbeeld:
(noun) voorraad, goederen, aandeel;
(verb) voorraad hebben, op voorraad houden;
(adjective) op voorraad, beschikbaar
Voorbeeld:
(noun) betaalbaarheid
Voorbeeld:
(noun) klantenkring, cliënteel
Voorbeeld:
(verb) prijzen, toejuichen, roemen;
(noun) lof, toejuiching, bijval
Voorbeeld:
(verb) vertegenwoordigen, symboliseren, optreden voor
Voorbeeld:
(noun) waardering, classificatie, kijkcijfers
Voorbeeld:
(verb) omvatten, omsluiten, bevatten
Voorbeeld:
(verb) afronden, finaliseren, voltooien
Voorbeeld:
(noun) markt;
(verb) op de markt brengen, vermarkten
Voorbeeld:
(noun) detailhandel, retail;
(verb) verkopen, detailhandelen;
(adjective) detailhandel, retail
Voorbeeld:
(noun) grondstof, handelswaar, goed
Voorbeeld:
(verb) citeren, aanhalen, offreren;
(noun) citaat, aangehaalde tekst, offerte
Voorbeeld:
(noun) verzending, levering, zending
Voorbeeld: