Vocabulaireverzameling Het menselijk lichaam in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Het menselijk lichaam' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) adrenaline
Voorbeeld:
(noun) hormoon
Voorbeeld:
(noun) anatomie, lichaamsbouw, analyse
Voorbeeld:
(noun) appendix, blindedarm, bijlage
Voorbeeld:
(noun) oksel
Voorbeeld:
(noun) slagader, verkeersader, hoofdweg
Voorbeeld:
(noun) biceps
Voorbeeld:
(noun) borstbeen
Voorbeeld:
(noun) kalf, kuit, ijskalf
Voorbeeld:
(noun) cel, batterij, mobiel
Voorbeeld:
(noun) jukbeen, wangbeen
Voorbeeld:
(noun) kin;
(verb) op de kin slaan
Voorbeeld:
(noun) circulatie, doorbloeding, oplage
Voorbeeld:
(noun) sleutelbeen
Voorbeeld:
(noun) vuist;
(verb) ballen, tot een vuist maken
Voorbeeld:
(noun) handpalm, palmboom;
(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen
Voorbeeld:
(noun) voorhoofd
Voorbeeld:
(plural noun) geslachtsorganen, genitaliën
Voorbeeld:
(noun) hiel, hak, hiel (van sok);
(verb) hellen, volgen
Voorbeeld:
(noun) buik, ingewanden, onderbuikgevoel;
(verb) ontweiden, schoonmaken, uitbranden;
(adjective) instinctief, onderbuik
Voorbeeld:
(noun) heup;
(adjective) hip, trendy, modern;
(exclamation) hiep
Voorbeeld:
(noun) darm
Voorbeeld:
(noun) maag, buik, abdomen;
(verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld:
(noun) gewricht, verbinding, voeg;
(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;
(verb) verbinden, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) kaak, ingang, opening;
(verb) klagen, praten
Voorbeeld:
(noun) schoot, ronde;
(verb) klotsen, likken, lappen
Voorbeeld:
(noun) ledemaat, tak;
(verb) ontleden, verminken
Voorbeeld:
(noun) zenuwstelsel
Voorbeeld:
(noun) ader, bloedvat, nerf
Voorbeeld:
(noun) weefsel, zakdoekje, tissue
Voorbeeld:
(noun) dij
Voorbeeld:
(noun) ruggengraat, wervelkolom, rug
Voorbeeld:
(noun) pols, puls, impuls;
(verb) pulseren, kloppen
Voorbeeld:
(noun) ribbenkast
Voorbeeld:
(noun) schedel;
(verb) slaan, op het hoofd slaan
Voorbeeld: