Vocabulaireverzameling Remming in Essentiële SAT-woordenschat voor het examen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Remming' in 'Essentiële SAT-woordenschat voor het examen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) belemmeren, hinderen, belasten
Voorbeeld:
(verb) belemmeren, hinderen, vertragen
Voorbeeld:
(verb) uitsluiten, voorkomen
Voorbeeld:
(verb) verzwakken, verminderen, demping;
(adjective) verzwakt, geattenueerd
Voorbeeld:
(noun) beperking, beteugeling, rem;
(verb) beteugelen, beperken, inperken
Voorbeeld:
(verb) belemmeren, remmen, verhinderen
Voorbeeld:
(verb) doen walgen, afstoten, terugslaan;
(noun) afwijzing, terugslag
Voorbeeld:
(verb) weerleggen, ontkrachten, ontkennen
Voorbeeld:
(verb) weerleggen, bestrijden
Voorbeeld:
(verb) weerleggen, ontkrachten
Voorbeeld:
(verb) verzwakken, ontzenuwen;
(adjective) verzwakt, krachteloos
Voorbeeld:
(verb) verijdelen, dwarsbomen;
(noun) doft, dwarsbalk
Voorbeeld:
(verb) voorkomen, verhinderen, beletten
Voorbeeld:
(verb) desoriënteren, verwarren, van de wijs brengen
Voorbeeld:
(verb) verlaten, achterlaten, opgeven;
(noun) overgave, onbezonnenheid
Voorbeeld:
(verb) elimineren, verwijderen, uitsluiten
Voorbeeld:
(verb) weggooien, afdoen;
(noun) afvalproduct, afgedankte
Voorbeeld:
(verb) mijden, vermijden, ontwijken
Voorbeeld:
(verb) ontwijken, ontsnappen aan, ontlopen
Voorbeeld:
(verb) ontwijken, duiken, ontduiken;
(noun) ontwijking, duik
Voorbeeld:
(verb) verbannen, uitsluiten
Voorbeeld:
(verb) mijden, vermijden
Voorbeeld:
(verb) uitzetten, verbannen, uitstoten
Voorbeeld:
(verb) afweren, terugslaan, afstoten
Voorbeeld:
(verb) wegdoen, verwijderen, stemmen tot
Voorbeeld:
(noun) toonbank, balie, teller;
(verb) tegenwerken, weerleggen;
(adjective) tegen, strijdig met;
(adverb) tegen, in strijd met
Voorbeeld:
(verb) uitroeien, uitbannen
Voorbeeld:
(verb) blussen, doven, uitroeien
Voorbeeld:
(verb) overgieten, doordrenken, doven
Voorbeeld:
(noun) gesel, zweep, plaag;
(verb) geselen, teisteren, plagen
Voorbeeld:
(verb) uitroeien, verdelgen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afbreuk doen aan, verminderen
Voorbeeld:
(noun) schroot, stukje, restje;
(verb) schrappen, afvoeren, vechten
Voorbeeld:
(verb) afschrikken, ontmoedigen, weerhouden
Voorbeeld:
(verb) ontdoen van, verlossen van;
(adjective) verlost van, kwijt
Voorbeeld:
(verb) verergeren, verslechteren, irriteren
Voorbeeld:
(verb) wraak nemen, terugslaan
Voorbeeld:
(noun) compensatie, tegenwicht;
(verb) compenseren, uitbalanceren
Voorbeeld:
(verb) vernietigen, vagen, verpletteren
Voorbeeld:
(adjective) preventief, uiterst
Voorbeeld:
(adjective) schadelijk, nadelig
Voorbeeld:
(noun) plundering, verwoesting, roof
Voorbeeld:
(noun) uitroeiing, verdelging
Voorbeeld:
(noun) vertragingsmiddel, brandvertragend middel;
(adjective) vertragend, remmend
Voorbeeld:
(noun) overlast, hinder, lastpost
Voorbeeld: