Vocabulaireverzameling 301-350 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '301-350' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schema, rooster, tijdschema;
(verb) plannen, inplannen
Voorbeeld:
(adjective) permanent, blijvend, vast;
(noun) permanent, duurkrul
Voorbeeld:
(adjective) druk, bruisend, levendig
Voorbeeld:
(verb) gedijen, floreren, bloeien
Voorbeeld:
(noun) economie, zuinigheid, besparing
Voorbeeld:
(noun) smog
Voorbeeld:
(noun) handel, commercie
Voorbeeld:
(verb) veroorloven, bieden, verschaffen
Voorbeeld:
(noun) arbeid, werk, bevalling;
(verb) werken, zwoegen
Voorbeeld:
(noun) afstuderen, diploma-uitreiking, graduatie
Voorbeeld:
(verb) bereiken, behalen, volbrengen
Voorbeeld:
(verb) wijden, toewijden
Voorbeeld:
(noun) rekruut, dienstplichtige, nieuwe medewerker;
(verb) rekruteren, werven, vormen
Voorbeeld:
(adjective) levendig, helder, fel
Voorbeeld:
(noun) kindertijd
Voorbeeld:
(noun) prestatie, presteren, bereiken
Voorbeeld:
(noun) erfgoed, erfenis, cultureel erfgoed
Voorbeeld:
(noun) onafhankelijkheid, zelfstandigheid
Voorbeeld:
(noun) plicht, verantwoordelijkheid, accijns
Voorbeeld:
(noun) vijand, tegenstander
Voorbeeld:
(adjective) indrukwekkend, imponerend
Voorbeeld:
(verb) uitvinden, bedenken, verzinnen
Voorbeeld:
(adjective) getalenteerd, begaafd
Voorbeeld:
(adjective) begaafd, getalenteerd
Voorbeeld:
(phrasal verb) doorgeven, overdragen
Voorbeeld:
(phrasal verb) overnemen, de controle overnemen, overheersen
Voorbeeld:
(phrasal verb) afhaken, stoppen met studie, terugtrekken
Voorbeeld:
(phrasal verb) aanpakken, omgaan met, zaken doen met
Voorbeeld:
(adjective) tragisch, droevig
Voorbeeld:
(noun) buur, buurman, buurvrouw;
(verb) grenzen aan, naast liggen
Voorbeeld:
(verb) overwegen, in overweging nemen, beschouwen
Voorbeeld:
(noun) genialiteit, begaafdheid, genie
Voorbeeld:
(noun) vrijgevigheid, gulheid
Voorbeeld:
(noun) oorsprong, begin, bron
Voorbeeld:
(noun) feestelijkheid, viering, vreugde
Voorbeeld:
(noun) identiteit, kenmerken
Voorbeeld:
(verb) overblijven, resten, blijven;
(noun) resten, overblijfselen
Voorbeeld:
(noun) mysterie, raadsel, detective
Voorbeeld:
(noun) populariteit
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, stimuleren, pleegzorgen;
(adjective) pleeg-, pleegzorg-
Voorbeeld:
(noun) specialiteit, vakgebied, streekproduct
Voorbeeld:
(noun) kraam, stand, cel
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) keuken, kookkunst
Voorbeeld:
(verb) ontbinden, vergaan, ontleden
Voorbeeld:
(verb) vrijlaten, loslaten, uitbrengen;
(noun) vrijlating, uitgave
Voorbeeld:
(noun) soort, type;
(verb) sorteren, ordenen, oplossen
Voorbeeld:
(verb) hergebruiken, opnieuw gebruiken;
(noun) hergebruik, opnieuw gebruik
Voorbeeld:
(noun) stortplaats, vuilnisbelt, krot;
(verb) dumpen, storten, verlaten
Voorbeeld:
(noun) locatie, plaats, terrein;
(verb) plaatsen, situeren, lokaliseren
Voorbeeld: