Vocabulaireverzameling Top 51 - 75 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 51 - 75 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) kind, zoon, dochter
Voorbeeld:
(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap
Voorbeeld:
(noun) minuut, ogenblik, moment;
(adjective) miniem, minuscuul
Voorbeeld:
(noun) uur, tijdstip
Voorbeeld:
(noun) seconde, tweede, tweede plaats;
(ordinal number) tweede;
(verb) steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) baan, werk, klus;
(verb) uitbesteden, een klus doen
Voorbeeld:
(noun) thuis, huis, thuisland;
(adverb) thuis, naar huis;
(adjective) thuis, huiselijk;
(verb) terugkeren, richten
Voorbeeld:
(noun) niveau, peil, vlak;
(adjective) vlak, waterpas;
(verb) egaliseren, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) moment, ogenblik, tijdstip
Voorbeeld:
(noun) bedrijf, zaak, onderneming
Voorbeeld:
(noun) wet, recht, principe
Voorbeeld:
(noun) beetje, stukje, bit;
(past tense) beet
Voorbeeld:
(noun) lijn, rij, wachtrij;
(verb) in de rij staan, bekleden, voeren
Voorbeeld:
(noun) gebied, streek, oppervlakte
Voorbeeld:
(noun) groep, verzameling, band;
(verb) groeperen, indelen
Voorbeeld:
(noun) zintuig, gevoel, besef;
(verb) voelen, waarnemen
Voorbeeld:
(noun) hoofd, kop, leider;
(verb) gaan, zich begeven, leiden;
(adjective) hoofd, voorste
Voorbeeld:
(noun) geest, verstand, aandacht;
(verb) erg vinden, bezwaar hebben tegen, opletten
Voorbeeld:
(exclamation) bedankt, dank;
(plural noun) dank, dankbetuiging
Voorbeeld:
(noun) oog, opening;
(verb) bekijken, observeren
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, volgorde;
(verb) bevelen, opdragen, bestellen
Voorbeeld:
(noun) kwestie, probleem, punt;
(verb) uitgeven, uitreiken, verstrekken
Voorbeeld:
(noun) school, schooltijd, les;
(verb) onderwijzen, scholen
Voorbeeld:
(noun) ruimte, plek, heelal;
(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen
Voorbeeld:
(noun) paar, stel, enkele;
(verb) koppelen, verbinden
Voorbeeld: