Avatar of Vocabulary Set Top 51 - 75 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 51 - 75 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 51 - 75 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

child

/tʃaɪld/

(noun) kind, zoon, dochter

Voorbeeld:

The child was playing in the park.
Het kind speelde in het park.

company

/ˈkʌm.pə.ni/

(noun) bedrijf, onderneming, gezelschap

Voorbeeld:

She works for a large software company.
Ze werkt voor een groot softwarebedrijf.

minute

/ˈmɪn.ɪt/

(noun) minuut, ogenblik, moment;

(adjective) miniem, minuscuul

Voorbeeld:

The meeting will start in five minutes.
De vergadering begint over vijf minuten.

hour

/aʊr/

(noun) uur, tijdstip

Voorbeeld:

The meeting lasted for an hour.
De vergadering duurde een uur.

second

/ˈsek.ənd/

(noun) seconde, tweede, tweede plaats;

(ordinal number) tweede;

(verb) steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

The race was won by a mere second.
De race werd gewonnen met slechts één seconde.

job

/dʒɑːb/

(noun) baan, werk, klus;

(verb) uitbesteden, een klus doen

Voorbeeld:

She got a new job as a software engineer.
Ze kreeg een nieuwe baan als software-engineer.

home

/hoʊm/

(noun) thuis, huis, thuisland;

(adverb) thuis, naar huis;

(adjective) thuis, huiselijk;

(verb) terugkeren, richten

Voorbeeld:

I'm going home for the holidays.
Ik ga naar huis voor de feestdagen.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

moment

/ˈmoʊ.mənt/

(noun) moment, ogenblik, tijdstip

Voorbeeld:

I'll be with you in a moment.
Ik ben zo bij je.

business

/ˈbɪz.nɪs/

(noun) bedrijf, zaak, onderneming

Voorbeeld:

He started his own business last year.
Hij is vorig jaar zijn eigen bedrijf begonnen.

law

/lɑː/

(noun) wet, recht, principe

Voorbeeld:

Ignorance of the law is no excuse.
Onwetendheid van de wet is geen excuus.

bit

/bɪt/

(noun) beetje, stukje, bit;

(past tense) beet

Voorbeeld:

Can I have a bit of your cake?
Mag ik een stukje van je taart?

line

/laɪn/

(noun) lijn, rij, wachtrij;

(verb) in de rij staan, bekleden, voeren

Voorbeeld:

Draw a straight line on the paper.
Trek een rechte lijn op het papier.

area

/ˈer.i.ə/

(noun) gebied, streek, oppervlakte

Voorbeeld:

The city has a large industrial area.
De stad heeft een groot industrieel gebied.

group

/ɡruːp/

(noun) groep, verzameling, band;

(verb) groeperen, indelen

Voorbeeld:

A group of students gathered outside the library.
Een groep studenten verzamelde zich buiten de bibliotheek.

sense

/sens/

(noun) zintuig, gevoel, besef;

(verb) voelen, waarnemen

Voorbeeld:

Our five senses help us understand the world.
Onze vijf zintuigen helpen ons de wereld te begrijpen.

head

/hed/

(noun) hoofd, kop, leider;

(verb) gaan, zich begeven, leiden;

(adjective) hoofd, voorste

Voorbeeld:

She nodded her head in agreement.
Ze knikte haar hoofd instemmend.

mind

/maɪnd/

(noun) geest, verstand, aandacht;

(verb) erg vinden, bezwaar hebben tegen, opletten

Voorbeeld:

She has a brilliant mind.
Ze heeft een briljante geest.

thanks

/θæŋks/

(exclamation) bedankt, dank;

(plural noun) dank, dankbetuiging

Voorbeeld:

Thanks for your help!
Bedankt voor je hulp!

eye

/aɪ/

(noun) oog, opening;

(verb) bekijken, observeren

Voorbeeld:

She has beautiful blue eyes.
Ze heeft prachtige blauwe ogen.

order

/ˈɔːr.dɚ/

(noun) bevel, opdracht, volgorde;

(verb) bevelen, opdragen, bestellen

Voorbeeld:

The general gave the order to advance.
De generaal gaf het bevel om op te rukken.

issue

/ˈɪʃ.uː/

(noun) kwestie, probleem, punt;

(verb) uitgeven, uitreiken, verstrekken

Voorbeeld:

The main issue is funding for the new project.
Het belangrijkste probleem is de financiering van het nieuwe project.

school

/skuːl/

(noun) school, schooltijd, les;

(verb) onderwijzen, scholen

Voorbeeld:

My daughter starts school next year.
Mijn dochter begint volgend jaar met school.

space

/speɪs/

(noun) ruimte, plek, heelal;

(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen

Voorbeeld:

There's not enough space for all these books.
Er is niet genoeg ruimte voor al deze boeken.

couple

/ˈkʌp.əl/

(noun) paar, stel, enkele;

(verb) koppelen, verbinden

Voorbeeld:

A young couple walked hand in hand.
Een jong stel liep hand in hand.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland