Vocabulaireverzameling C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 5) in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Ken je werkwoorden! (Deel 5)' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) kiezen, opteren
Voorbeeld:
(verb) opscheppen, pochen, beschikken over;
(noun) opschepperij, pochen
Voorbeeld:
(noun) belofte, toezegging, onderpand;
(verb) beloven, zweren, verpanden
Voorbeeld:
(verb) afkondigen, uitroepen, uitroepen tot
Voorbeeld:
(verb) hervatten, vernieuwen, verlengen
Voorbeeld:
(noun) cv, curriculum vitae;
(verb) hervatten, doorgaan
Voorbeeld:
(verb) beginnen, starten, initiëren;
(noun) ingewijde, nieuweling, beginneling
Voorbeeld:
(verb) manifesteren, vertonen, bewijzen;
(adjective) duidelijk, manifest;
(noun) manifest, vrachtlijst
Voorbeeld:
(verb) ontstaan, beginnen, creëren
Voorbeeld:
(noun) stengel, stam, woordstam;
(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen
Voorbeeld:
(verb) onderdrukken, neerslaan, bedwingen
Voorbeeld:
(verb) streven naar, ambitie hebben
Voorbeeld:
(verb) samenvallen, overeenkomen
Voorbeeld:
(noun) aanvulling, complement, volledig aantal;
(verb) aanvullen, completeren
Voorbeeld:
(verb) vormen, uitmaken, oprichten
Voorbeeld:
(verb) coördineren, afstemmen, matchen;
(noun) coördinaat, coördinaten;
(adjective) gelijkwaardig, coördinerend
Voorbeeld:
(verb) overeenkomen, corresponderen, briefwisseling hebben
Voorbeeld:
(verb) beroven, ontnemen
Voorbeeld:
(verb) ontslaan, vrijlaten, lozen;
(noun) ontslag, vrijlating, lozing
Voorbeeld:
(verb) vervangen, verdringen, verplaatsen
Voorbeeld:
(noun) gemak, lichtheid, rust;
(verb) verlichten, verzachten, bewegen
Voorbeeld:
(verb) inbedden, vastzetten, invoegen
Voorbeeld:
(verb) uitvaardigen, invoeren, uitbeelden
Voorbeeld:
(verb) omvatten, omsluiten, bevatten
Voorbeeld:
(verb) doorstaan, verdragen, voortduren
Voorbeeld:
(verb) oproepen, teweegbrengen, ontlokken
Voorbeeld:
(verb) vergemakkelijken, bevorderen
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, stimuleren, pleegzorgen;
(adjective) pleeg-, pleegzorg-
Voorbeeld:
(noun) hagel, begroeting, roep;
(verb) hagelen, roepen, aanroepen;
(exclamation) gegroet
Voorbeeld:
(verb) stoppen, halt houden;
(noun) stop, stilstand;
(exclamation) Halt!
Voorbeeld:
(verb) oplopen, ondergaan
Voorbeeld:
(verb) genieten van, zich overgeven aan, verwennen
Voorbeeld:
(verb) verlopen, aflopen, overlijden
Voorbeeld:
(noun) onderneming, avontuur, risicovolle onderneming;
(verb) wagen, zich wagen aan, ondernemen
Voorbeeld:
(noun) verval, bederf, rot;
(verb) vergaan, rotten, bederven
Voorbeeld:
(verb) consolideren, versterken, samenvoegen
Voorbeeld: