Vocabulaireverzameling B2 - Algemene Werkwoorden in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Algemene Werkwoorden' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) begeleiden, meegaan met, vergezellen
Voorbeeld:
(verb) verwerven, verkrijgen, aanschaffen
Voorbeeld:
(verb) naderen, aankomen, benaderen;
(noun) aanpak, benadering, nadering
Voorbeeld:
(noun) zorg, aangelegenheid, bedrijf;
(verb) betreffen, aangaan, zorgen baren
Voorbeeld:
(verb) verdienen
Voorbeeld:
(verb) tevoorschijn komen, opduiken, bekend worden
Voorbeeld:
(verb) betrekken, boeien, aantrekken;
(adjective) bezet, verwikkeld
Voorbeeld:
(noun) excuus, verontschuldiging;
(verb) excuseren, vrijstellen, verontschuldigen
Voorbeeld:
(verb) impresseren, indruk maken op, afdrukken
Voorbeeld:
(verb) onderbreken, verstoren
Voorbeeld:
(noun) bereik, scala, gamma;
(verb) variëren, reiken, rangschikken
Voorbeeld:
(verb) vertrouwen op, rekenen op
Voorbeeld:
(verb) behouden, vasthouden, absorberen
Voorbeeld:
(verb) onthullen, bekendmaken, tonen
Voorbeeld:
(verb) zoeken, trachten, vragen
Voorbeeld:
(noun) zintuig, gevoel, besef;
(verb) voelen, waarnemen
Voorbeeld:
(noun) vorm, gestalte, structuur;
(verb) vormen, modelleren
Voorbeeld:
(noun) verschuiving, verandering, dienst;
(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen
Voorbeeld:
(verb) splitsen, verdelen, splijten;
(noun) splitsing, scheiding, spagaat;
(adjective) gespleten, verdeeld
Voorbeeld:
(noun) vlek, stip, plek;
(verb) zien, opmerken
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(verb) omringen, omsingelen
Voorbeeld:
(verb) vloeken, schelden, zweren
Voorbeeld:
(verb) scheuren, verscheuren, een gat maken;
(noun) traan
Voorbeeld:
(noun) pad, spoor, rupsband;
(verb) volgen, traceren, monitoren
Voorbeeld:
(verb) overdragen, overbrengen, verplaatsen;
(noun) overdracht, overplaatsing, verplaatsing
Voorbeeld:
(verb) transformeren, veranderen, omvormen
Voorbeeld:
(noun) drang, impuls, behoefte;
(verb) aansporen, aandringen, dringen
Voorbeeld:
(verb) variëren, verschillen, aanpassen
Voorbeeld:
(verb) fluisteren;
(noun) fluistering
Voorbeeld:
(verb) gaan, werken, functioneren;
(noun) poging, beurt;
(adjective) klaar, gereed;
(exclamation) gaan, kom op
Voorbeeld:
(verb) verslapen
Voorbeeld:
(verb) behouden, bewaren, conserveren;
(noun) jam, confituur, conserven
Voorbeeld:
(verb) herbestraten, opnieuw aanleggen, boven komen
Voorbeeld: