Vocabulaireverzameling B1 - Succes en falen 2 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Succes en falen 2' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) wensen, verlangen;
(noun) wens, verlangen
Voorbeeld:
(noun) prestatie, presteren, bereiken
Voorbeeld:
(noun) doel, streven;
(verb) richten, mikken, streven naar
Voorbeeld:
(noun) ambitie, streven, machtshonger
Voorbeeld:
(adjective) helder, fel, licht;
(adverb) helder, fel
Voorbeeld:
(adjective) effectief, doeltreffend, van kracht
Voorbeeld:
(noun) inspanning, moeite, prestatie
Voorbeeld:
(verb) beheren, leiden, redden
Voorbeeld:
(adjective) praktisch, bruikbaar, nuchter
Voorbeeld:
(adjective) zeker, positief, duidelijk;
(noun) positief, dia
Voorbeeld:
(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;
(noun) negatief, ontkenning
Voorbeeld:
(verb) bevorderen, promoten, promoveren
Voorbeeld:
(noun) respect, eerbied, aandacht;
(verb) respecteren, eerbiedigen
Voorbeeld:
(noun) geheim, truc;
(adjective) geheim, vertrouwelijk
Voorbeeld:
(verb) ondersteunen, steunen, onderhouden;
(noun) ondersteuning, steun, draagvlak
Voorbeeld:
(phrasal verb) werken aan, verbeteren, bewerken
Voorbeeld:
(noun) droom, aspiratie, ideaal;
(verb) dromen, aspireren
Voorbeeld:
(adjective) hoopvol, optimistisch;
(noun) hoopvolle, kandidaat
Voorbeeld:
(noun) vooruitgang, progressie;
(verb) vorderen, vooruitgaan
Voorbeeld:
(verb) van plan zijn, beoogen, bestemmen
Voorbeeld:
(verb) gaan, werken, functioneren;
(noun) poging, beurt;
(adjective) klaar, gereed;
(exclamation) gaan, kom op
Voorbeeld:
(noun) gevecht, ruzie, wedstrijd;
(verb) vechten, strijden
Voorbeeld:
(adverb) gelukkig, fortuinlijk
Voorbeeld:
(adverb) helaas, ongelukkigvis
Voorbeeld:
(adverb) succesvol, met succes
Voorbeeld:
(noun) resultaat, gevolg, uitslag;
(verb) resulteren in, voortvloeien uit
Voorbeeld: