Vocabulaireverzameling B1 - Sporten en Spelers in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Sporten en Spelers' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) boksen, inpakken, verpakken
Voorbeeld:
(noun) squash, pompoen, courgette;
(verb) platdrukken, verpletteren
Voorbeeld:
(noun) paardrijden, paardensport
Voorbeeld:
(noun) vijver, plas, zwembad;
(verb) bundelen, samenleggen
Voorbeeld:
(noun) paardenrennen, paardenraces
Voorbeeld:
(noun) doelman, keeper
Voorbeeld:
(noun) fietser, wielrenner
Voorbeeld:
(noun) golfer
Voorbeeld:
(noun) voetballer
Voorbeeld:
(noun) duiker, schoonspringer, zeeduiker
Voorbeeld:
(noun) kapitein, gezagvoerder, aanvoerder;
(verb) aanvoeren, leiden
Voorbeeld:
(adjective) atletisch, sportief
Voorbeeld:
(noun) stadion
Voorbeeld:
(noun) koers, richting, loop;
(verb) stromen, vloeien
Voorbeeld:
(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;
(verb) versieren, winnen
Voorbeeld:
(noun) toernooi
Voorbeeld:
(noun) competitie, liga, bond;
(verb) verenigen, verbonden
Voorbeeld:
(adjective) Olympisch
Voorbeeld:
(adjective) competitief, concurrerend, strijdlustig
Voorbeeld:
(noun) kampioen, winnaar, voorvechter;
(verb) verdedigen, pleiten voor
Voorbeeld:
(adjective) laatste, definitief, bindend;
(noun) finale, eindexamen
Voorbeeld:
(noun) rust, halve tijd
Voorbeeld:
(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;
(noun) voldoende, geslaagd, pas
Voorbeeld:
(noun) lawaai, herrie, racket;
(verb) lawaai maken, herrie schoppen
Voorbeeld:
(noun) mand, basket, ring
Voorbeeld:
(verb) redden, behouden, sparen;
(noun) redding, behoudenis, besparing
Voorbeeld:
(noun) tegenstander, opponent, bezwaarmaker
Voorbeeld:
(noun) scheidsrechter, arbiter;
(verb) scheidsrechteren, leiden
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
(noun) wedstrijd, competitie;
(verb) aanvechten, betwisten, strijden om
Voorbeeld:
(noun) resultaat, gevolg, uitslag;
(verb) resulteren in, voortvloeien uit
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(noun) fiets, motor, motorfiets;
(verb) fietsen, motorrijden
Voorbeeld:
(adjective) binnen, binnenshuis
Voorbeeld: