Avatar of Vocabulary Set B1 - Sporten en Spelers

Vocabulaireverzameling B1 - Sporten en Spelers in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Sporten en Spelers' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

boxing

/ˈbɑːk.sɪŋ/

(noun) boksen, inpakken, verpakken

Voorbeeld:

He trains in boxing every day.
Hij traint elke dag in boksen.

squash

/skwɑːʃ/

(noun) squash, pompoen, courgette;

(verb) platdrukken, verpletteren

Voorbeeld:

She plays squash every Tuesday.
Ze speelt elke dinsdag squash.

horseback riding

/ˈhɔːrsbæk ˌraɪdɪŋ/

(noun) paardrijden, paardensport

Voorbeeld:

She enjoys horseback riding in the countryside.
Ze geniet van paardrijden op het platteland.

pool

/puːl/

(noun) vijver, plas, zwembad;

(verb) bundelen, samenleggen

Voorbeeld:

The children played by the shallow pool.
De kinderen speelden bij de ondiepe vijver.

horse racing

/ˈhɔːrs ˌreɪ.sɪŋ/

(noun) paardenrennen, paardenraces

Voorbeeld:

He loves going to the track to watch horse racing.
Hij houdt ervan om naar de renbaan te gaan om naar paardenraces te kijken.

goalkeeper

/ˈɡoʊlˌkiː.pɚ/

(noun) doelman, keeper

Voorbeeld:

The goalkeeper made a spectacular save.
De doelman maakte een spectaculaire redding.

cyclist

/ˈsaɪ.klɪst/

(noun) fietser, wielrenner

Voorbeeld:

The cyclist sped down the hill.
De fietser raasde de heuvel af.

golfer

/ˈɡɑːl.fɚ/

(noun) golfer

Voorbeeld:

The professional golfer hit a perfect drive.
De professionele golfer sloeg een perfecte drive.

soccer player

/ˈsɑː.kər ˌpleɪ.ər/

(noun) voetballer

Voorbeeld:

The young boy dreams of becoming a professional soccer player.
De jonge jongen droomt ervan een professionele voetballer te worden.

diver

/ˈdaɪ.vɚ/

(noun) duiker, schoonspringer, zeeduiker

Voorbeeld:

The deep-sea diver explored the sunken ship.
De diepzeeduiker verkende het gezonken schip.

captain

/ˈkæp.tən/

(noun) kapitein, gezagvoerder, aanvoerder;

(verb) aanvoeren, leiden

Voorbeeld:

The captain steered the ship through the storm.
De kapitein stuurde het schip door de storm.

athletic

/æθˈlet̬.ɪk/

(adjective) atletisch, sportief

Voorbeeld:

She is a very athletic person and loves to play sports.
Ze is een zeer atletisch persoon en houdt van sporten.

stadium

/ˈsteɪ.di.əm/

(noun) stadion

Voorbeeld:

The concert was held at the city's largest stadium.
Het concert werd gehouden in het grootste stadion van de stad.

course

/kɔːrs/

(noun) koers, richting, loop;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The ship altered its course to avoid the storm.
Het schip veranderde zijn koers om de storm te vermijden.

court

/kɔːrt/

(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;

(verb) versieren, winnen

Voorbeeld:

The suspect was brought before the court.
De verdachte werd voor de rechtbank gebracht.

tournament

/ˈtɝː.nə.mənt/

(noun) toernooi

Voorbeeld:

The chess tournament attracted players from all over the world.
Het schaaktoernooi trok spelers van over de hele wereld aan.

league

/liːɡ/

(noun) competitie, liga, bond;

(verb) verenigen, verbonden

Voorbeeld:

Our team joined the local football league.
Ons team sloot zich aan bij de plaatselijke voetbalcompetitie.

olympic

/oʊˈlɪm.pɪk/

(adjective) Olympisch

Voorbeeld:

She won an Olympic gold medal in swimming.
Ze won een Olympische gouden medaille in het zwemmen.

competitive

/kəmˈpet̬.ə.t̬ɪv/

(adjective) competitief, concurrerend, strijdlustig

Voorbeeld:

The company operates in a highly competitive market.
Het bedrijf opereert in een zeer competitieve markt.

champion

/ˈtʃæm.pi.ən/

(noun) kampioen, winnaar, voorvechter;

(verb) verdedigen, pleiten voor

Voorbeeld:

She is the reigning world champion in tennis.
Zij is de regerend wereldkampioen in tennis.

final

/ˈfaɪ.nəl/

(adjective) laatste, definitief, bindend;

(noun) finale, eindexamen

Voorbeeld:

This is the final warning.
Dit is de laatste waarschuwing.

half-time

/ˈhæf.taɪm/

(noun) rust, halve tijd

Voorbeeld:

The coach gave instructions to the team during half-time.
De coach gaf instructies aan het team tijdens de rust.

pass

/pæs/

(verb) passeren, voorbijgaan, slagen;

(noun) voldoende, geslaagd, pas

Voorbeeld:

A car passed us on the highway.
Een auto passeerde ons op de snelweg.

racket

/ˈræk.ɪt/

(noun) lawaai, herrie, racket;

(verb) lawaai maken, herrie schoppen

Voorbeeld:

The kids were making a terrible racket in the backyard.
De kinderen maakten een vreselijk lawaai in de achtertuin.

basket

/ˈbæs.kət/

(noun) mand, basket, ring

Voorbeeld:

She carried a picnic basket filled with sandwiches and fruit.
Ze droeg een picknickmand gevuld met broodjes en fruit.

save

/seɪv/

(verb) redden, behouden, sparen;

(noun) redding, behoudenis, besparing

Voorbeeld:

The lifeguard saved the drowning child.
De badmeester redde het verdrinkende kind.

opponent

/əˈpoʊ.nənt/

(noun) tegenstander, opponent, bezwaarmaker

Voorbeeld:

He defeated his opponent in the final round.
Hij versloeg zijn tegenstander in de laatste ronde.

referee

/ˌref.əˈriː/

(noun) scheidsrechter, arbiter;

(verb) scheidsrechteren, leiden

Voorbeeld:

The referee blew the whistle to signal the end of the game.
De scheidsrechter blies op de fluit om het einde van de wedstrijd aan te geven.

match

/mætʃ/

(noun) wedstrijd, match, lucifer;

(verb) overeenkomen, passen bij, matchen

Voorbeeld:

The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.

contest

/ˈkɑːn.test/

(noun) wedstrijd, competitie;

(verb) aanvechten, betwisten, strijden om

Voorbeeld:

She won the singing contest.
Ze won de zangwedstrijd.

result

/rɪˈzʌlt/

(noun) resultaat, gevolg, uitslag;

(verb) resulteren in, voortvloeien uit

Voorbeeld:

The positive result of the experiment was celebrated.
Het positieve resultaat van het experiment werd gevierd.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

bike

/baɪk/

(noun) fiets, motor, motorfiets;

(verb) fietsen, motorrijden

Voorbeeld:

I ride my bike to work every day.
Ik fiets elke dag met mijn fiets naar mijn werk.

indoor

/ˌɪnˈdɔːr/

(adjective) binnen, binnenshuis

Voorbeeld:

We played indoor games because of the rain.
We speelden binnenshuis spelletjes vanwege de regen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland