Avatar of Vocabulary Set B1 - Gezondheid en Ziekte

Vocabulaireverzameling B1 - Gezondheid en Ziekte in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Gezondheid en Ziekte' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

healthcare

/-ker/

(noun) gezondheidszorg

Voorbeeld:

Access to affordable healthcare is a fundamental right.
Toegang tot betaalbare gezondheidszorg is een fundamenteel recht.

welfare

/ˈwel.fer/

(noun) welzijn, welvaart, uitkering

Voorbeeld:

We are concerned about the welfare of the children.
Wij maken ons zorgen over het welzijn van de kinderen.

medicine

/ˈmed.ɪ.sən/

(noun) geneeskunde, medicijn, geneesmiddel

Voorbeeld:

She is studying medicine at university.
Ze studeert geneeskunde aan de universiteit.

medical

/ˈmed.ɪ.kəl/

(adjective) medisch;

(noun) medische keuring, medisch onderzoek

Voorbeeld:

She decided to pursue a career in the medical field.
Ze besloot een carrière in de medische sector na te streven.

positive

/ˈpɑː.zə.t̬ɪv/

(adjective) zeker, positief, duidelijk;

(noun) positief, dia

Voorbeeld:

I'm positive that I locked the door.
Ik ben zeker dat ik de deur op slot heb gedaan.

negative

/ˈneɡ.ə.t̬ɪv/

(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;

(noun) negatief, ontkenning

Voorbeeld:

She gave a negative answer to the proposal.
Ze gaf een negatief antwoord op het voorstel.

drug

/drʌɡ/

(noun) medicijn, geneesmiddel, drugs;

(verb) drogeren, verdoven

Voorbeeld:

The doctor prescribed a new drug for her condition.
De dokter schreef een nieuw medicijn voor haar aandoening voor.

aspirin

/ˈæs.prɪn/

(noun) aspirine

Voorbeeld:

She took an aspirin for her headache.
Ze nam een aspirine tegen haar hoofdpijn.

antibiotic

/ˌæn.t̬i.baɪˈɑː.t̬ɪk/

(noun) antibioticum;

(adjective) antibiotisch

Voorbeeld:

The doctor prescribed an antibiotic for her infection.
De dokter schreef een antibioticum voor haar infectie voor.

capsule

/ˈkæp.səl/

(noun) capsule, ruimtevaartuig, samenvatting;

(verb) samenvatten, inkapselen

Voorbeeld:

Take two capsules with water after meals.
Neem twee capsules met water na de maaltijd.

first aid kit

/ˈfɜːrst eɪd kɪt/

(noun) EHBO-doos, verbanddoos

Voorbeeld:

Always keep a first aid kit in your car for emergencies.
Bewaar altijd een EHBO-doos in je auto voor noodgevallen.

bandage

/ˈbæn.dɪdʒ/

(noun) verband, zwachtel;

(verb) verbanden, zwachtelen

Voorbeeld:

She wrapped a bandage around his sprained ankle.
Ze wikkelde een verband om zijn verstuikte enkel.

Band-Aid

/ˈbænd.eɪd/

(trademark) pleister, verband, lapmiddel

Voorbeeld:

I put a Band-Aid on my finger after I cut it.
Ik deed een pleister op mijn vinger nadat ik me had gesneden.

shot

/ʃɑːt/

(noun) schot, afvuren, poging;

(past tense) schoot, opgenomen;

(past participle) schoot, opgenomen

Voorbeeld:

We heard a loud shot in the distance.
We hoorden een luid schot in de verte.

bleed

/bliːd/

(verb) bloeden, ontluchten, aftappen;

(noun) bloeding

Voorbeeld:

His nose started to bleed after he fell.
Zijn neus begon te bloeden nadat hij viel.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

painful

/ˈpeɪn.fəl/

(adjective) pijnlijk, kwetsend

Voorbeeld:

The injection was quite painful.
De injectie was behoorlijk pijnlijk.

check-up

/ˈtʃek.ʌp/

(noun) controle, medische controle, inspectie

Voorbeeld:

I have a dental check-up next week.
Ik heb volgende week een tandheelkundige controle.

examination

/ɪɡˌzæm.əˈneɪ.ʃən/

(noun) onderzoek, inspectie, studie

Voorbeeld:

The doctor conducted a thorough examination of the patient.
De dokter voerde een grondig onderzoek uit bij de patiënt.

test

/test/

(noun) test, proef, toets;

(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen

Voorbeeld:

The new software underwent rigorous tests before its release.
De nieuwe software onderging strenge tests voor de release.

operation

/ˌɑː.pəˈreɪ.ʃən/

(noun) operatie, ingreep, werking

Voorbeeld:

The patient underwent a successful heart operation.
De patiënt onderging een succesvolle hartoperatie.

operate

/ˈɑː.pə.reɪt/

(verb) bedienen, exploiteren, werken

Voorbeeld:

Can you show me how to operate this new coffee machine?
Kunt u mij laten zien hoe ik deze nieuwe koffiemachine moet bedienen?

treat

/triːt/

(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;

(noun) traktatie, verwennerij, rondje

Voorbeeld:

She treats everyone with respect.
Ze behandelt iedereen met respect.

treatment

/ˈtriːt.mənt/

(noun) behandeling, omgang, therapie

Voorbeeld:

She received excellent treatment from the hospital staff.
Ze kreeg een uitstekende behandeling van het ziekenhuispersoneel.

cure

/kjʊr/

(noun) geneesmiddel, kuur;

(verb) genezen, helen, conserveren

Voorbeeld:

Scientists are still searching for a cure for cancer.
Wetenschappers zoeken nog steeds naar een geneesmiddel tegen kanker.

heal

/hiːl/

(verb) genezen, helen

Voorbeeld:

The wound will heal quickly with proper care.
De wond zal snel genezen met de juiste zorg.

mental

/ˈmen.təl/

(adjective) mentaal, geestelijk, geestelijk ziek;

(noun) geestelijk zieke, patiënt met psychische aandoening

Voorbeeld:

She's suffering from mental fatigue.
Ze lijdt aan mentale vermoeidheid.

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

symptom

/ˈsɪmp.təm/

(noun) symptoom, ziekteverschijnsel, teken

Voorbeeld:

Fever is a common symptom of the flu.
Koorts is een veelvoorkomend symptoom van griep.

recover

/rɪˈkʌv.ɚ/

(verb) herstellen, bijkomen, terugvinden

Voorbeeld:

It took her a long time to recover from the illness.
Het duurde lang voordat ze herstelden van de ziekte.

recovery

/rɪˈkʌv.ɚ.i/

(noun) herstel, genezing, terugvordering

Voorbeeld:

Her recovery from the illness was slow but steady.
Haar herstel van de ziekte was langzaam maar gestaag.

prescription

/prɪˈskrɪp.ʃən/

(noun) recept, doktersvoorschrift, voorschrijven

Voorbeeld:

The doctor gave me a prescription for antibiotics.
De dokter gaf me een recept voor antibiotica.

care

/ker/

(noun) zorg, verzorging, zorgvuldigheid;

(verb) zich bekommeren om, geven om, zorgen voor

Voorbeeld:

She provides excellent care for her elderly parents.
Zij biedt uitstekende zorg voor haar bejaarde ouders.

care for

/ker fɔːr/

(phrasal verb) zorgen voor, verzorgen, houden van

Voorbeeld:

She decided to care for her elderly parents.
Ze besloot te zorgen voor haar bejaarde ouders.

first aid

/ˌfɜːrst ˈeɪd/

(noun) eerste hulp

Voorbeeld:

He administered first aid to the injured runner.
Hij diende eerste hulp toe aan de geblesseerde hardloper.

weigh

/weɪ/

(verb) wegen, afwegen, beoordelen

Voorbeeld:

The doctor will weigh the baby at the next check-up.
De dokter zal de baby wegen bij de volgende controle.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland