Avatar of Vocabulary Set B1 - Abstracte Concepten

Vocabulaireverzameling B1 - Abstracte Concepten in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Abstracte Concepten' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

abstract

/ˈæb.strækt/

(adjective) abstract, theoretisch;

(noun) samenvatting, abstract;

(verb) abstraheren, extraheren, losmaken

Voorbeeld:

Love is an abstract concept.
Liefde is een abstract concept.

content

/kənˈtent/

(noun) inhoud, gehalte;

(adjective) tevreden, voldaan;

(verb) tevredenstellen, voldoen

Voorbeeld:

The table of contents lists all the chapters.
De inhoudsopgave vermeldt alle hoofdstukken.

situation

/ˌsɪtʃ.uˈeɪ.ʃən/

(noun) situatie, toestand, omstandigheid

Voorbeeld:

The economic situation is improving.
De economische situatie verbetert.

attitude

/ˈæt̬.ə.tuːd/

(noun) houding, instelling, pose

Voorbeeld:

She has a positive attitude towards life.
Ze heeft een positieve houding ten opzichte van het leven.

impression

/ɪmˈpreʃ.ən/

(noun) indruk, imitatie, nadoening

Voorbeeld:

My first impression of him was that he was very kind.
Mijn eerste indruk van hem was dat hij erg aardig was.

point

/pɔɪnt/

(noun) punt, uiteinde, plaats;

(verb) wijzen, aanduiden, richten

Voorbeeld:

The point of the knife was very sharp.
De punt van het mes was erg scherp.

theory

/ˈθɪr.i/

(noun) theorie, hypothese, beginselen

Voorbeeld:

The scientist proposed a new theory about the origin of the universe.
De wetenschapper stelde een nieuwe theorie voor over het ontstaan van het universum.

thinking

/ˈθɪŋ.kɪŋ/

(noun) denken, gedachte;

(verb) denkend, overwegend;

(adjective) denkend, nadenkend

Voorbeeld:

Her thinking was clear and logical.
Haar denken was helder en logisch.

choice

/tʃɔɪs/

(noun) keuze, beste keuze, topkwaliteit;

(adjective) uitstekend, top

Voorbeeld:

You have a choice between coffee and tea.
Je hebt een keuze tussen koffie en thee.

option

/ˈɑːp.ʃən/

(noun) optie, keuze, koopoptie

Voorbeeld:

You have two options: stay or leave.
Je hebt twee opties: blijven of weggaan.

doubt

/daʊt/

(noun) twijfel, onzekerheid;

(verb) twijfelen, betwijfelen

Voorbeeld:

I have no doubt that she will succeed.
Ik heb er geen twijfel over dat ze zal slagen.

possibility

/ˌpɑː.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) mogelijkheid, optie, kans

Voorbeeld:

There are many possibilities for your future career.
Er zijn veel mogelijkheden voor je toekomstige carrière.

concept

/ˈkɑːn.sept/

(noun) concept, idee, plan

Voorbeeld:

The concept of time travel is fascinating.
Het concept van tijdreizen is fascinerend.

prediction

/prɪˈdɪk.ʃən/

(noun) voorspelling, prognose

Voorbeeld:

His prediction about the election results was surprisingly accurate.
Zijn voorspelling over de verkiezingsuitslag was verrassend nauwkeurig.

truth

/truːθ/

(noun) waarheid, feit

Voorbeeld:

He always speaks the truth.
Hij spreekt altijd de waarheid.

need

/niːd/

(verb) nodig hebben, moeten;

(noun) behoefte, noodzaak

Voorbeeld:

I need to go to the bank.
Ik moet naar de bank.

permission

/pɚˈmɪʃ.ən/

(noun) toestemming, vergunning

Voorbeeld:

You need permission to enter this area.
Je hebt toestemming nodig om dit gebied te betreden.

help

/help/

(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;

(noun) hulp, bijstand;

(exclamation) help, hulp

Voorbeeld:

Can you help me with my homework?
Kun je me helpen met mijn huiswerk?

make sure

/meɪk ʃʊr/

(verb) ervoor zorgen, zorgen dat

Voorbeeld:

Please make sure all the windows are closed before you leave.
Zorg ervoor dat alle ramen gesloten zijn voordat je vertrekt.

no way

/ˌnoʊ ˈweɪ/

(exclamation) geen sprake van, onmogelijk, echt niet

Voorbeeld:

Are you going to finish all that food? No way!
Ga je al dat eten opeten? Geen sprake van!

evidence

/ˈev.ə.dəns/

(noun) bewijs, aanwijzing;

(verb) aantonen, bewijzen, aangeven

Voorbeeld:

There is no scientific evidence to support his claim.
Er is geen wetenschappelijk bewijs om zijn bewering te ondersteunen.

gap

/ɡæp/

(noun) opening, gat, kloof;

(verb) gaten maken, spleet maken

Voorbeeld:

There's a small gap in the fence.
Er zit een kleine opening in het hek.

in favor

/ɪn ˈfeɪ.vər/

(phrase) voor, ten gunste van, in het voordeel van

Voorbeeld:

Are you in favor of the new policy?
Bent u voor het nieuwe beleid?

sorry

/ˈsɔːr.i/

(adjective) spijtig, berouwvol, medelijden;

(exclamation) sorry, excuseer

Voorbeeld:

I'm sorry for the mistake I made.
Het spijt me voor de fout die ik heb gemaakt.

unless

/ənˈles/

(conjunction) tenzij, behalve als

Voorbeeld:

You won't pass the exam unless you study harder.
Je zult niet slagen voor het examen tenzij je harder studeert.

point out

/pɔɪnt aʊt/

(phrasal verb) aanwijzen, wijzen op, opmerken

Voorbeeld:

She pointed out the star in the night sky.
Ze wees de ster aan in de nachtelijke hemel.

yeah

/jeə/

(interjection) ja

Voorbeeld:

Yeah, I'll be there.
Ja, ik ben erbij.

comparison

/kəmˈper.ɪ.sən/

(noun) vergelijking, vergelijkbaarheid, gelijkwaardigheid

Voorbeeld:

A comparison of the two reports showed significant differences.
Een vergelijking van de twee rapporten toonde aanzienlijke verschillen aan.

concern

/kənˈsɝːn/

(noun) zorg, aangelegenheid, bedrijf;

(verb) betreffen, aangaan, zorgen baren

Voorbeeld:

The safety of the children is my main concern.
De veiligheid van de kinderen is mijn voornaamste zorg.

growth

/ɡroʊθ/

(noun) groei, toename, ontwikkeling

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

dream

/driːm/

(noun) droom, aspiratie, ideaal;

(verb) dromen, aspireren

Voorbeeld:

I had a strange dream last night.
Ik had een vreemde droom gisteravond.

offer

/ˈɑː.fɚ/

(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;

(noun) aanbod, bod, aanbieding

Voorbeeld:

He offered her a cup of tea.
Hij bood haar een kopje thee aan.

sort of

/sɔːrt əv/

(phrase) een beetje, min of meer

Voorbeeld:

I was sort of hoping you'd say yes.
Ik hoopte een beetje dat je ja zou zeggen.

difference

/ˈdɪf.ɚ.əns/

(noun) verschil, effect

Voorbeeld:

There's a big difference between knowing and doing.
Er is een groot verschil tussen weten en doen.

series

/ˈsɪr.iːz/

(noun) serie, reeks

Voorbeeld:

The company launched a new series of products.
Het bedrijf lanceerde een nieuwe serie producten.

possession

/pəˈzeʃ.ən/

(noun) bezit, eigendom, spullen

Voorbeeld:

The family lost all their possessions in the fire.
De familie verloor al hun bezittingen in de brand.

defense

/dɪˈfens/

(noun) verdediging, bescherming, pleidooi

Voorbeeld:

The city's defense against the invaders was strong.
De verdediging van de stad tegen de indringers was sterk.

middle

/ˈmɪd.əl/

(noun) midden;

(adverb) midden;

(adjective) midden, middelste

Voorbeeld:

He stood in the middle of the room.
Hij stond in het midden van de kamer.

boundary

/ˈbaʊn.dər.i/

(noun) grens, scheidingslijn, beperking

Voorbeeld:

The river forms the natural boundary between the two countries.
De rivier vormt de natuurlijke grens tussen de twee landen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland