Avatar of Vocabulary Set A2 - Lichaam

Vocabulaireverzameling A2 - Lichaam in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Lichaam' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

skin

/skɪn/

(noun) huid, schil;

(verb) villen, schillen

Voorbeeld:

She has very sensitive skin.
Ze heeft een zeer gevoelige huid.

blood

/blʌd/

(noun) bloed, temperament, aard;

(verb) bloeden, bevlekken met bloed

Voorbeeld:

He lost a lot of blood in the accident.
Hij verloor veel bloed bij het ongeluk.

bone

/boʊn/

(noun) bot, been, botmateriaal;

(verb) ontbenen

Voorbeeld:

The dog buried a bone in the backyard.
De hond begroef een bot in de achtertuin.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

chest

/tʃest/

(noun) borst, kist, koffer

Voorbeeld:

He felt a sharp pain in his chest.
Hij voelde een scherpe pijn in zijn borst.

backbone

/ˈbæk.boʊn/

(noun) ruggengraat, wervelkolom, karaktersterkte

Voorbeeld:

The human backbone is made up of 33 vertebrae.
De menselijke ruggengraat bestaat uit 33 wervels.

breath

/breθ/

(noun) adem, ademhaling, pauze

Voorbeeld:

Take a deep breath and relax.
Haal diep adem en ontspan.

breathing

/ˈbriː.ðɪŋ/

(noun) ademhaling;

(verb) ademend

Voorbeeld:

Her breathing became shallow and rapid.
Haar ademhaling werd oppervlakkig en snel.

fat

/fæt/

(noun) vet;

(adjective) dik, vet, groot

Voorbeeld:

The chef trimmed the excess fat from the meat.
De chef sneed het overtollige vet van het vlees.

vein

/veɪn/

(noun) ader, bloedvat, nerf

Voorbeeld:

The nurse struggled to find a suitable vein for the injection.
De verpleegster had moeite om een geschikte ader te vinden voor de injectie.

skull

/skʌl/

(noun) schedel;

(verb) slaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human skull protects the brain.
De menselijke schedel beschermt de hersenen.

gum

/ɡʌm/

(noun) kauwgom, gom, tandvlees;

(verb) plakken, lijmen

Voorbeeld:

He chewed a piece of bubble gum.
Hij kauwde op een stukje kauwgom.

eyelash

/ˈaɪ.læʃ/

(noun) wimper

Voorbeeld:

She batted her long eyelashes at him.
Ze wapperde met haar lange wimpers naar hem.

palm

/pɑːm/

(noun) handpalm, palmboom;

(verb) verbergen, verstoppen, verpatsen

Voorbeeld:

She held the small bird gently in her palm.
Ze hield het kleine vogeltje voorzichtig in haar handpalm.

forearm

/ˈfɔːr.ɑːrm/

(noun) onderarm;

(verb) vooraf bewapenen, vooraf uitrusten

Voorbeeld:

He protected his face with his forearm.
Hij beschermde zijn gezicht met zijn onderarm.

thigh

/θaɪ/

(noun) dij

Voorbeeld:

She had strong thighs from cycling.
Ze had sterke dijen van het fietsen.

heel

/hiːl/

(noun) hiel, hak, hiel (van sok);

(verb) hellen, volgen

Voorbeeld:

She wore shoes with high heels.
Ze droeg schoenen met hoge hakken.

throat

/θroʊt/

(noun) keel, hals, ingang;

(verb) uitstoten, uitspreken

Voorbeeld:

She cleared her throat before speaking.
Ze schraapte haar keel voordat ze sprak.

physical

/ˈfɪz.ɪ.kəl/

(adjective) fysiek, lichamelijk, materieel;

(noun) medische keuring, fysieke controle

Voorbeeld:

Regular physical activity is important for health.
Regelmatige fysieke activiteit is belangrijk voor de gezondheid.

physically

/ˈfɪz.ɪ.kəl.i/

(adverb) fysiek, lichamelijk, met fysiek contact

Voorbeeld:

He was physically exhausted after the marathon.
Hij was fysiek uitgeput na de marathon.

strong

/strɑːŋ/

(adjective) sterk, krachtig, stevig

Voorbeeld:

He is a very strong man.
Hij is een zeer sterke man.

weak

/wiːk/

(adjective) zwak, ondoeltreffend, breekbaar

Voorbeeld:

After the illness, he felt very weak.
Na de ziekte voelde hij zich erg zwak.

alive

/əˈlaɪv/

(adjective) levend, in leven, levendig

Voorbeeld:

Is your grandmother still alive?
Is je grootmoeder nog in leven?

dead

/ded/

(adjective) dood, overleden, inactief;

(adverb) helemaal, volledig;

(noun) diepte, midden

Voorbeeld:

The bird was found dead in the garden.
De vogel werd dood in de tuin gevonden.

wrist

/rɪst/

(noun) pols

Voorbeeld:

She wears a watch on her left wrist.
Ze draagt een horloge om haar linkerpols.

elbow

/ˈel.boʊ/

(noun) elleboog, bocht, elleboogstuk;

(verb) ellebogen, zich een weg banen

Voorbeeld:

He hit his elbow on the table.
Hij stootte zijn elleboog tegen de tafel.

human

/ˈhjuː.mən/

(adjective) menselijk, medelevend;

(noun) mens, menselijk wezen

Voorbeeld:

The ability to reason is a unique human trait.
Het vermogen om te redeneren is een unieke menselijke eigenschap.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland