Vocabulaireverzameling Algemene werkwoorden gerelateerd aan geneeskunde in Medische Wetenschap: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Algemene werkwoorden gerelateerd aan geneeskunde' in 'Medische Wetenschap' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) toegeven, bekennen, toelaten
Voorbeeld:
(verb) certificeren, bevestigen, erkennen
Voorbeeld:
(verb) plegen, begaan, verbinden
Voorbeeld:
(noun) geneesmiddel, kuur;
(verb) genezen, helen, conserveren
Voorbeeld:
(verb) hospitaliseren, opnemen in het ziekenhuis
Voorbeeld:
(verb) medicaliseren
Voorbeeld:
(verb) voorschrijven, bepalen
Voorbeeld:
(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;
(noun) traktatie, verwennerij, rondje
Voorbeeld:
(verb) uitdelen, verstrekken, afschaffen
Voorbeeld:
(noun) dosis, hoeveelheid;
(verb) doseren, toedienen
Voorbeeld:
(verb) injecteren, inspuiten, inbrengen
Voorbeeld:
(verb) inenten, vaccineren, inoculeren
Voorbeeld:
(noun) overdosis, teveel;
(verb) overdoseren
Voorbeeld:
(verb) nemen, pakken, brengen;
(noun) opname, shot, greep
Voorbeeld:
(verb) vaccineren, inenten
Voorbeeld:
(phrasal verb) slagen, uitpakken, loslaten
Voorbeeld:
(verb) besturen, beheren, toedienen
Voorbeeld:
(verb) ontslaan, vrijlaten, lozen;
(noun) ontslag, vrijlating, lozing
Voorbeeld:
(noun) tape, plakband, lint;
(verb) vasttapen, plakken, opnemen
Voorbeeld:
(verb) infuseren, doordrenken, inbrengen
Voorbeeld:
(verb) isoleren, afzonderen, afschermen
Voorbeeld:
(verb) mediceren, behandelen met medicijnen
Voorbeeld:
(verb) reanimeren, doen herleven, opnieuw invoeren
Voorbeeld:
(verb) zelfmedicatie toepassen, zichzelf mediceren
Voorbeeld:
(verb) verdoven, narcotiseren
Voorbeeld:
(noun) verband, zwachtel;
(verb) verbanden, zwachtelen
Voorbeeld:
(noun) detox, ontgifting;
(verb) detoxen, ontgiften
Voorbeeld:
(noun) jurk;
(verb) aankleden, dresseren, bereiden
Voorbeeld:
(verb) genezen, helen
Voorbeeld:
(verb) immuniseren, inenten
Voorbeeld:
(verb) irrigeren, beregenen, spoelen
Voorbeeld:
(verb) manipuleren, bedienen, beïnvloeden
Voorbeeld:
(verb) rehabilitatie, revalideren, renoveren
Voorbeeld:
(verb) reanimeren, tot leven wekken, doen herleven
Voorbeeld:
(adjective) rustig, kalm;
(verb) kalmeren, verdoven
Voorbeeld:
(verb) stabiliseren
Voorbeeld:
(verb) steriliseren, ontsmetten, onvruchtbaar maken
Voorbeeld:
(noun) band, riem;
(verb) vastmaken, gespen
Voorbeeld:
(noun) wattenstaafje, uitstrijkje;
(verb) schoonmaken, deppen
Voorbeeld:
(verb) kalmeren, verdoven
Voorbeeld:
(verb) doneren, schenken
Voorbeeld:
(phrasal verb) langskomen, op bezoek komen, bijkomen
Voorbeeld: