Avatar of Vocabulary Set Kleding maken

Vocabulaireverzameling Kleding maken in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Kleding maken' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

dressmaker

/ˈdresˌmeɪ.kɚ/

(noun) kleermaakster, naaister

Voorbeeld:

She hired a skilled dressmaker to create her wedding gown.
Ze huurde een bekwame kleermaakster in om haar trouwjurk te maken.

tailor

/ˈteɪ.lɚ/

(noun) kleermaker;

(verb) aanpassen, op maat maken

Voorbeeld:

I need to take my suit to the tailor for alterations.
Ik moet mijn pak naar de kleermaker brengen voor aanpassingen.

thread

/θred/

(noun) draad, discussie;

(verb) rijgen, inrijgen

Voorbeeld:

She used a needle and thread to mend the torn shirt.
Ze gebruikte een naald en draad om het gescheurde shirt te repareren.

pin

/pɪn/

(noun) speld, pin, pen;

(verb) vastspelden, vastmaken, vastzetten

Voorbeeld:

She used a pin to hold the fabric in place.
Ze gebruikte een speld om de stof op zijn plaats te houden.

pincushion

/ˈpɪnˌkʊʃ.ən/

(noun) speldenkussen, speldenkussen (figuurlijk)

Voorbeeld:

She kept her sewing needles organized in a pretty pincushion.
Ze bewaarde haar naainaalden georganiseerd in een mooi speldenkussen.

safety pin

/ˈseɪf.ti ˌpɪn/

(noun) veiligheidsspeld

Voorbeeld:

She used a safety pin to fasten her skirt.
Ze gebruikte een veiligheidsspeld om haar rok vast te maken.

thimble

/ˈθɪm.bəl/

(noun) vingerhoed

Voorbeeld:

She used a thimble to protect her finger while mending the torn fabric.
Ze gebruikte een vingerhoed om haar vinger te beschermen tijdens het repareren van de gescheurde stof.

seam

/siːm/

(noun) naad, ader, laag;

(verb) naaien, aan elkaar naaien

Voorbeeld:

The dress had a delicate seam down the back.
De jurk had een delicate naad op de rug.

appliqué

/ˈæp.lə.keɪ/

(noun) applicatie, opnaaiwerk;

(verb) appliceren, opnaaien

Voorbeeld:

The quilt featured a beautiful floral appliqué.
De quilt had een prachtig bloemenapplicatie.

hook and eye

/hʊk ən daɪ/

(noun) haak-en-oogsluiting, haak en oog

Voorbeeld:

The dress fastens with a series of hook and eye closures down the back.
De jurk sluit met een reeks haak-en-oog sluitingen langs de rug.

trim

/trɪm/

(verb) knippen, snoeien, trimmen;

(noun) bies, sierrand, versiering;

(adjective) netjes, verzorgd, strak

Voorbeeld:

She decided to trim her hair short.
Ze besloot haar haar kort te knippen.

snap

/snæp/

(verb) knappen, breken, dichtklappen;

(noun) knak, klik, foto;

(adjective) spontaan, gemakkelijk;

(adverb) abrupt, plotseling;

(exclamation) knak, klik

Voorbeeld:

The twig snapped under his foot.
Het takje knapte onder zijn voet.

fringe

/frɪndʒ/

(noun) pony, franje, kwastje;

(verb) franjeren, afzetten;

(adjective) marginaal, alternatief, onconventioneel

Voorbeeld:

She decided to get a new haircut with a short fringe.
Ze besloot een nieuw kapsel te nemen met een korte pony.

bead

/biːd/

(noun) kraal, parel, druppel;

(verb) parelen, druppelen

Voorbeeld:

She wore a necklace made of colorful beads.
Ze droeg een ketting gemaakt van kleurrijke kralen.

sew

/soʊ/

(verb) naaien

Voorbeeld:

She learned to sew her own clothes.
Ze leerde haar eigen kleren naaien.

sewing machine

/ˈsoʊ.ɪŋ məˌʃiːn/

(noun) naaimachine

Voorbeeld:

She used her sewing machine to make a new dress.
Ze gebruikte haar naaimachine om een nieuwe jurk te maken.

bobbin

/ˈbɑː.bɪn/

(noun) spoel, klos

Voorbeeld:

She loaded a fresh bobbin into the sewing machine.
Ze laadde een nieuwe spoel in de naaimachine.

Velcro

/ˈvel.kroʊ/

(trademark) klittenband;

(verb) klittenbanden, vastmaken met klittenband

Voorbeeld:

The child's shoes had Velcro straps instead of laces.
De schoenen van het kind hadden klittenband in plaats van veters.

running stitch

/ˈrʌn.ɪŋ ˌstɪtʃ/

(noun) rijgsteek

Voorbeeld:

She used a running stitch to quickly hem the curtain.
Ze gebruikte een rijgsteek om het gordijn snel te zomen.

knit

/nɪt/

(verb) breien, genezen, samengroeien;

(noun) breiwerk, gebreide stof

Voorbeeld:

She loves to knit sweaters for her grandchildren.
Ze houdt ervan om truien te breien voor haar kleinkinderen.

knitted

/ˈnɪt̬.ɪd/

(adjective) gebreid;

(past participle) breide, gebreid, fronsde

Voorbeeld:

She wore a warm knitted scarf.
Ze droeg een warme gebreide sjaal.

dummy

/ˈdʌm.i/

(noun) pop, mannequin, domoor;

(adjective) nep, namaak;

(verb) faken, misleiden

Voorbeeld:

The store used a mannequin as a clothing dummy.
De winkel gebruikte een paspop als kledingpop.

bolt

/boʊlt/

(noun) bout, grendel, schuif;

(verb) wegrennen, ervandoor gaan, schrokken

Voorbeeld:

He tightened the bolt with a wrench.
Hij draaide de bout vast met een moersleutel.

handknit

/ˌhændˈnɪt/

(adjective) handgebreid

Voorbeeld:

She wore a warm handknit sweater.
Ze droeg een warme handgebreide trui.

knitting needle

/ˈnɪt.ɪŋ ˌniː.dəl/

(noun) breinaald

Voorbeeld:

She picked up her yarn and knitting needles to start a new scarf.
Ze pakte haar garen en breinaalden om een nieuwe sjaal te beginnen.

pinking shears

/ˈpɪŋkɪŋ ˌʃɪrz/

(plural noun) kartelschaar

Voorbeeld:

She used pinking shears to finish the edges of the fabric.
Ze gebruikte een kartelschaar om de randen van de stof af te werken.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland