Vocabulaireverzameling Onderdelen van een Gebouw in Architectuur en Constructie: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Onderdelen van een Gebouw' in 'Architectuur en Constructie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) stof, textiel, structuur
Voorbeeld:
(noun) garage, werkplaats;
(verb) in de garage zetten, stallen
Voorbeeld:
(noun) kelder
Voorbeeld:
(noun) façade, voorgevel, schijn
Voorbeeld:
(noun) tijdschrift, magazine, magazijn
Voorbeeld:
(noun) voorraadkast, provisiekast
Voorbeeld:
(noun) muur, wand;
(verb) ommuuren, afsluiten met een muur
Voorbeeld:
(noun) dak;
(verb) bedekken met een dak, daken
Voorbeeld:
(noun) plafond, limiet
Voorbeeld:
(noun) armatuur, vast onderdeel, inrichting
Voorbeeld:
(noun) voorgevel, frontage, lengte aan de straat
Voorbeeld:
(noun) ruimte, plaats, kamer;
(verb) huisvesten, onderbrengen
Voorbeeld:
(noun) bruikbaarheid, nut, nutsvoorzieningen;
(adjective) functioneel, praktisch
Voorbeeld:
(verb) bijvoegen, annexeren, inlijven;
(noun) aanbouw, bijgebouw
Voorbeeld:
(noun) schoorsteen
Voorbeeld:
(noun) kap, monnikskap, motorkap;
(verb) omhullen, bedekken
Voorbeeld:
(noun) schoorsteenmantel, mantel
Voorbeeld:
(noun) schoorsteenhoek, haardhoek
Voorbeeld:
(noun) vloer, verdieping;
(verb) vloeren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) niveau, peil, vlak;
(adjective) vlak, waterpas;
(verb) egaliseren, vlak maken
Voorbeeld:
(noun) mezzanine, tussenverdieping
Voorbeeld:
(noun) kolom, zuil, pilaar
Voorbeeld:
(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);
(adjective) voor, voorste;
(verb) uitkijken op, grenzen aan;
(adverb) voorin, vooraan
Voorbeeld:
(noun) lobby, belangengroep, hal;
(verb) lobbyen, beïnvloeden
Voorbeeld:
(noun) nis, uitsparing
Voorbeeld:
(noun) ventilatieopening, opening, uitlaat;
(verb) uiten, luchten, afreageren
Voorbeeld:
(noun) binnenplaats, hof
Voorbeeld:
(noun) schoorsteenpot, schoorsteenkap
Voorbeeld:
(noun) pas, stap, tempo;
(verb) ijlen, wandelen, afmeten
Voorbeeld:
(noun) suite, appartement, set
Voorbeeld:
(noun) vierhoek, binnenplaats, quadrangle
Voorbeeld:
(noun) trap, trappenhuis
Voorbeeld:
(noun) goederenlift, kleine lift
Voorbeeld:
(noun) lift
Voorbeeld:
(noun) roltrap
Voorbeeld:
(noun) haard, schoorsteenmantel, thuis
Voorbeeld:
(noun) open haard, haardvuur, huiselijkheid;
(adjective) haard-, huiselijk
Voorbeeld:
(noun) galerie, kunstgalerie, galerij
Voorbeeld:
(noun) plafondlijst, onderkant
Voorbeeld:
(noun) verhaal, sprookje, verslag
Voorbeeld:
(adverb) boven, naar boven;
(adjective) bovenste, bovenverdieping;
(noun) bovenverdieping
Voorbeeld:
(adverb) beneden, naar beneden;
(adjective) beneden, onder;
(noun) benedenverdieping
Voorbeeld:
(noun) interieur, binnenkant, binnenland;
(adjective) binnenste, intern
Voorbeeld:
(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;
(adjective) extern, buiten-
Voorbeeld: