Avatar of Vocabulary Set Onderdelen van een Gebouw

Vocabulaireverzameling Onderdelen van een Gebouw in Architectuur en Constructie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Onderdelen van een Gebouw' in 'Architectuur en Constructie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

fabric

/ˈfæb.rɪk/

(noun) stof, textiel, structuur

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing fabric.
De jurk was gemaakt van een zachte, soepelvallende stof.

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

cellar

/ˈsel.ɚ/

(noun) kelder

Voorbeeld:

We keep our old wine bottles in the cellar.
We bewaren onze oude wijnflessen in de kelder.

facade

/fəˈsɑːd/

(noun) façade, voorgevel, schijn

Voorbeeld:

The grand facade of the opera house was illuminated at night.
De grote façade van het operagebouw werd 's nachts verlicht.

magazine

/ˌmæɡ.əˈziːn/

(noun) tijdschrift, magazine, magazijn

Voorbeeld:

She subscribes to a fashion magazine.
Ze abonneert zich op een modetijdschrift.

pantry

/ˈpæn.tri/

(noun) voorraadkast, provisiekast

Voorbeeld:

She organized the spices in the kitchen pantry.
Ze organiseerde de kruiden in de keukenkast.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

roof

/ruːf/

(noun) dak;

(verb) bedekken met een dak, daken

Voorbeeld:

The heavy snow caused the roof to collapse.
De zware sneeuwval zorgde ervoor dat het dak instortte.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

fixture

/ˈfɪks.tʃɚ/

(noun) armatuur, vast onderdeel, inrichting

Voorbeeld:

The bathroom fixtures include a sink, toilet, and shower.
De badkamerarmaturen omvatten een wastafel, toilet en douche.

frontage

/ˈfrʌn.t̬ɪdʒ/

(noun) voorgevel, frontage, lengte aan de straat

Voorbeeld:

The shop has a wide frontage on the main street.
De winkel heeft een brede voorgevel aan de hoofdstraat.

room

/ruːm/

(noun) ruimte, plaats, kamer;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

Is there enough room for everyone?
Is er genoeg ruimte voor iedereen?

utility

/juːˈtɪl.ə.t̬i/

(noun) bruikbaarheid, nut, nutsvoorzieningen;

(adjective) functioneel, praktisch

Voorbeeld:

The utility of this tool is evident in its versatility.
De bruikbaarheid van dit gereedschap blijkt uit zijn veelzijdigheid.

annex

/ˈæn.ɪks/

(verb) bijvoegen, annexeren, inlijven;

(noun) aanbouw, bijgebouw

Voorbeeld:

The report had a detailed appendix annexed at the end.
Het rapport had een gedetailleerde bijlage die aan het einde was bijgevoegd.

chimney

/ˈtʃɪm.ni/

(noun) schoorsteen

Voorbeeld:

Smoke billowed from the chimney.
Rook walmde uit de schoorsteen.

cowl

/kaʊl/

(noun) kap, monnikskap, motorkap;

(verb) omhullen, bedekken

Voorbeeld:

The monk pulled his cowl further over his head to shield himself from the rain.
De monnik trok zijn kap verder over zijn hoofd om zich tegen de regen te beschermen.

mantelpiece

/ˈmæn.təl.piːs/

(noun) schoorsteenmantel, mantel

Voorbeeld:

She placed the antique clock on the mantelpiece.
Ze plaatste de antieke klok op de schoorsteenmantel.

inglenook

/ˈɪŋ.ɡəl.nʊk/

(noun) schoorsteenhoek, haardhoek

Voorbeeld:

We sat in the cozy inglenook, enjoying the warmth of the fire.
We zaten in de gezellige schoorsteenhoek, genietend van de warmte van het vuur.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

mezzanine

/ˈmet.sə.niːn/

(noun) mezzanine, tussenverdieping

Voorbeeld:

The library has a beautiful mezzanine level with extra seating.
De bibliotheek heeft een prachtige mezzanine met extra zitplaatsen.

column

/ˈkɑː.ləm/

(noun) kolom, zuil, pilaar

Voorbeeld:

The data is organized into three columns.
De gegevens zijn georganiseerd in drie kolommen.

front

/frʌnt/

(noun) voorkant, voorzijde, front (weer);

(adjective) voor, voorste;

(verb) uitkijken op, grenzen aan;

(adverb) voorin, vooraan

Voorbeeld:

The car was damaged at the front.
De auto was beschadigd aan de voorkant.

lobby

/ˈlɑː.bi/

(noun) lobby, belangengroep, hal;

(verb) lobbyen, beïnvloeden

Voorbeeld:

The gun lobby is very powerful in this country.
De wapenlobby is erg machtig in dit land.

alcove

/ˈæl.koʊv/

(noun) nis, uitsparing

Voorbeeld:

The bed was placed in a cozy alcove.
Het bed werd in een gezellige nis geplaatst.

vent

/vent/

(noun) ventilatieopening, opening, uitlaat;

(verb) uiten, luchten, afreageren

Voorbeeld:

The bathroom has a small vent to remove steam.
De badkamer heeft een kleine ventilatieopening om stoom af te voeren.

courtyard

/ˈkɔːrt.jɑːrd/

(noun) binnenplaats, hof

Voorbeeld:

The old palace had a beautiful courtyard with a fountain.
Het oude paleis had een prachtige binnenplaats met een fontein.

chimney pot

/ˈtʃɪm.ni ˌpɑːt/

(noun) schoorsteenpot, schoorsteenkap

Voorbeeld:

The old house had several decorative chimney pots on its roof.
Het oude huis had verschillende decoratieve schoorsteenpotten op het dak.

pace

/peɪs/

(noun) pas, stap, tempo;

(verb) ijlen, wandelen, afmeten

Voorbeeld:

He took a few paces forward.
Hij deed een paar stappen vooruit.

suite

/swiːt/

(noun) suite, appartement, set

Voorbeeld:

The hotel offers a luxurious suite with a view of the ocean.
Het hotel biedt een luxe suite met uitzicht op de oceaan.

quadrangle

/ˈkwɑdˌræŋ·ɡəl/

(noun) vierhoek, binnenplaats, quadrangle

Voorbeeld:

The architect designed the building with a perfect quadrangle shape.
De architect ontwierp het gebouw met een perfecte vierhoekige vorm.

stairway

/ˈster.weɪ/

(noun) trap, trappenhuis

Voorbeeld:

The old house had a grand wooden stairway leading to the second floor.
Het oude huis had een grote houten trap die naar de tweede verdieping leidde.

dumb waiter

/ˈdʌmˌweɪ.tər/

(noun) goederenlift, kleine lift

Voorbeeld:

The chef sent the dishes up to the dining room using the dumbwaiter.
De chef stuurde de gerechten naar de eetkamer via de goederenlift.

elevator

/ˈel.ə.veɪ.t̬ɚ/

(noun) lift

Voorbeeld:

Take the elevator to the tenth floor.
Neem de lift naar de tiende verdieping.

escalator

/ˈes.kə.leɪ.t̬ɚ/

(noun) roltrap

Voorbeeld:

Take the escalator to the second floor.
Neem de roltrap naar de tweede verdieping.

hearth

/hɑːrθ/

(noun) haard, schoorsteenmantel, thuis

Voorbeeld:

The cat was sleeping peacefully on the warm hearth.
De kat lag vredig te slapen op de warme haard.

fireside

/ˈfaɪr.saɪd/

(noun) open haard, haardvuur, huiselijkheid;

(adjective) haard-, huiselijk

Voorbeeld:

We gathered around the fireside, telling stories and drinking hot cocoa.
We verzamelden ons rond de open haard, vertelden verhalen en dronken warme chocolademelk.

gallery

/ˈɡæl.ɚ.i/

(noun) galerie, kunstgalerie, galerij

Voorbeeld:

The new art gallery features local artists.
De nieuwe kunstgalerie toont lokale kunstenaars.

soffit

/ˈsɑː.fɪt/

(noun) plafondlijst, onderkant

Voorbeeld:

The carpenter carefully installed the new wooden soffit under the eaves.
De timmerman installeerde zorgvuldig de nieuwe houten plafondlijst onder de dakrand.

story

/ˈstɔːr.i/

(noun) verhaal, sprookje, verslag

Voorbeeld:

She told us a fascinating story about her travels.
Ze vertelde ons een fascinerend verhaal over haar reizen.

upstairs

/ʌpˈsterz/

(adverb) boven, naar boven;

(adjective) bovenste, bovenverdieping;

(noun) bovenverdieping

Voorbeeld:

She went upstairs to get a book.
Ze ging naar boven om een boek te halen.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

interior

/ɪnˈtɪr.i.ɚ/

(noun) interieur, binnenkant, binnenland;

(adjective) binnenste, intern

Voorbeeld:

The interior of the car was spacious and comfortable.
Het interieur van de auto was ruim en comfortabel.

exterior

/ɪkˈstɪr.i.ɚ/

(noun) buitenkant, exterieur, uiterlijk;

(adjective) extern, buiten-

Voorbeeld:

The exterior of the house was painted a light blue.
De buitenkant van het huis was lichtblauw geverfd.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland