Vocabulaireverzameling Gezichtsuitdrukkingen in Uiterlijk: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Gezichtsuitdrukkingen' in 'Uiterlijk' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) frons, gefronste wenkbrauwen;
(verb) fronsen, de wenkbrauwen fronsen
Voorbeeld:
(noun) boze blik, starende blik, schittering;
(verb) boos aankijken, staren, schitteren
Voorbeeld:
(noun) grimas, grijns;
(verb) grimassen trekken, grijnzen
Voorbeeld:
(idiom) een lang gezicht, een sip gezicht
Voorbeeld:
(noun) frons, boze blik;
(verb) fronsen, boos kijken
Voorbeeld:
(noun) zijdelingse blik, scheve blik;
(verb) zijdelings aankijken, scheef aankijken
Voorbeeld:
(verb) knipogen, knipperen, fonkelen;
(noun) knipoog
Voorbeeld:
(verb) blozen, rood worden;
(noun) blos, roodheid
Voorbeeld:
(adjective) rood, blozend, doorgespoeld
Voorbeeld:
(verb) gloeien, stralen;
(noun) gloed, schijnsel, warmte
Voorbeeld:
(adjective) licht, bleek;
(verb) verbleken, in het niet vallen;
(noun) grens, omheining
Voorbeeld:
(noun) vouw, kreuk, crease;
(verb) vouwen, kreuken
Voorbeeld:
(verb) verfrommelen, kreuken, instorten
Voorbeeld:
(noun) voor, ploegvoor, groef;
(verb) ploegen, voren trekken, fronsen
Voorbeeld:
(phrasal verb) vluchten, wegwezen, uitpuilen
Voorbeeld:
(verb) boos kijken, donker kijken;
(noun) boze blik, donkere blik
Voorbeeld:
(verb) verlagen, neerlaten, verminderen;
(adjective) lager, minder hoog
Voorbeeld:
(verb) pruilen, mokken, tuiten;
(noun) pruilmond, mokkend gezicht
Voorbeeld:
(noun) handtas, beurs, prijzenpot;
(verb) samentrekken, rimpelen
Voorbeeld:
(verb) mokken, pruilen;
(noun) mok, pruilbui
Voorbeeld:
(verb) ineenkrimpen, terugdeinzen;
(noun) ineenkrimping, terugdeinzing
Voorbeeld:
(noun) glimlach;
(verb) glimlachen
Voorbeeld:
(noun) lach, grijns;
(verb) glimlachen, grijnzen
Voorbeeld:
(noun) balk, straal;
(verb) stralen, glimlachen, uitzenden
Voorbeeld:
(noun) grijns, spot;
(verb) grijnzen, spotten
Voorbeeld:
(noun) grijns, zelfgenoegzame glimlach;
(verb) grijnzen, zelfgenoegzaam glimlachen
Voorbeeld:
(verb) koket glimlachen, geaffecteerd glimlachen;
(noun) kokette glimlach, geaffecteerde glimlach
Voorbeeld:
(adjective) desolaat, somber, hopeloos
Voorbeeld:
(adjective) beglaasd, geglazuurd;
(verb) beglazen, glaceren
Voorbeeld:
(adjective) droog, ironisch, scheef
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, ongerust
Voorbeeld:
(adjective) wild-ogig, verwilderd, waanzinnig
Voorbeeld:
(adjective) onvermurwbaar, niet knipperend, onverbloemd
Voorbeeld: