Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 19 - Hoe hoog is de bonus?: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 19 - Hoe hoog is de bonus?' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) weigeren, afwijzen, dalen;
(noun) daling, afname, neergang
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk, duidelijk, opvallend
Voorbeeld:
(verb) toenemen, vergroten, stijgen;
(noun) toename, stijging, verhoging
Voorbeeld:
(noun) inkomsten, omzet
Voorbeeld:
(noun) projectie, prognose, weergave
Voorbeeld:
(adjective) aanzienlijk, substantieel, belangrijk
Voorbeeld:
(verb) anticiperen, verwachten, voor zijn
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk, significant, opmerkelijk
Voorbeeld:
(noun) schatting, raming;
(verb) schatten, ramen
Voorbeeld:
(noun) verschuiving, verandering, dienst;
(verb) verschuiven, verplaatsen, schakelen
Voorbeeld:
(noun) vergoeding, kosten, honorarium;
(verb) betalen, kosten in rekening brengen
Voorbeeld:
(noun) productie, vervaardiging, voorstelling
Voorbeeld:
(noun) verkoop, afzet, uitverkoop
Voorbeeld:
(adjective) indrukwekkend, imponerend
Voorbeeld:
(noun) vertegenwoordiger, afgevaardigde;
(adjective) representatief, kenmerkend
Voorbeeld:
(adjective) recent, laatste, jongste
Voorbeeld:
(verb) overtreffen, overschrijden
Voorbeeld:
(noun) verbetering, vooruitgang
Voorbeeld:
(noun) werkgever
Voorbeeld:
(adjective) regelmatig, gewoon, gelijkmatig;
(noun) vaste klant, habitué
Voorbeeld:
(verb) samenvatten, resumeren
Voorbeeld:
(adverb) doorgaans, door de bank genomen
Voorbeeld:
(adjective) heel, geheel, intact;
(noun) geheel, totaliteit;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(noun) groei, toename, ontwikkeling
Voorbeeld:
(noun) cijfer, getal, figuur;
(verb) denken, verwachten, uitvinden
Voorbeeld:
(adjective) stabiel, vast, constant;
(verb) stabiliseren, kalmeren;
(adverb) gestaag, stabiel
Voorbeeld:
(adjective) frequent, vaak;
(verb) frequenteren, vaak bezoeken
Voorbeeld:
(verb) bereiken, behalen, volbrengen
Voorbeeld:
(noun) aanname, veronderstelling, overname
Voorbeeld:
(noun) deel, aandeel;
(verb) delen, meedelen
Voorbeeld:
(adjective) aanmoedigend, veelbelovend
Voorbeeld:
(verb) oplopen, ondergaan
Voorbeeld:
(adverb) lichtjes, een beetje, iets
Voorbeeld:
(noun) winst, profijt, voordeel;
(verb) profiteren, winst maken, baten
Voorbeeld:
(adjective) afhankelijk van
Voorbeeld:
(verb) illustreren, verduidelijken, van afbeeldingen voorzien
Voorbeeld:
(adjective) onjuist, onnauwkeurig
Voorbeeld:
(noun) percentage, aandeel
Voorbeeld:
(verb) verminderen, reduceren, verlagen
Voorbeeld:
(verb) neigen, tendere, verzorgen
Voorbeeld: