Avatar of Vocabulary Set Basis 1

Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

stagnant

/ˈstæɡ.nənt/

(adjective) stilstaand, stagnerend, futloos

Voorbeeld:

The pond was filled with stagnant water.
De vijver was gevuld met stilstaand water.

dramatically

/drəˈmæt̬.ɪ.kəl.i/

(adverb) drastisch, aanzienlijk, dramatisch

Voorbeeld:

The landscape changed dramatically after the earthquake.
Het landschap veranderde drastisch na de aardbeving.

brisk

/brɪsk/

(adjective) stevig, levendig, snel

Voorbeeld:

She set off at a brisk pace.
Ze vertrok in een stevig tempo.

unstable

/ʌnˈsteɪ.bəl/

(adjective) instabiel, onstabiel, emotioneel instabiel

Voorbeeld:

The old bridge is structurally unstable.
De oude brug is structureel instabiel.

rapidly

/ˈræp.ɪd.li/

(adverb) snel, rap

Voorbeeld:

The company grew rapidly in the last decade.
Het bedrijf groeide snel in het afgelopen decennium.

soar

/sɔːr/

(verb) zweven, stijgen, snel stijgen

Voorbeeld:

The eagle began to soar above the mountains.
De adelaar begon hoog boven de bergen te zweven.

assert

/əˈsɝːt/

(verb) beweren, stellen, handhaven

Voorbeeld:

He continued to assert his innocence.
Hij bleef zijn onschuld beweren.

boost

/buːst/

(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;

(noun) impuls, stimulans

Voorbeeld:

The new advertising campaign aims to boost sales.
De nieuwe reclamecampagne is gericht op het stimuleren van de verkoop.

analyst

/ˈæn.ə.lɪst/

(noun) analist

Voorbeeld:

The financial analyst predicted a market downturn.
De financiële analist voorspelde een marktdaling.

potential

/poʊˈten.ʃəl/

(adjective) potentieel, mogelijke;

(noun) potentieel, mogelijkheden

Voorbeeld:

He is a potential candidate for the job.
Hij is een potentiële kandidaat voor de baan.

pleased

/pliːzd/

(adjective) blij, tevreden, verheugd

Voorbeeld:

She was very pleased with her new car.
Ze was erg blij met haar nieuwe auto.

remain

/rɪˈmeɪn/

(verb) overblijven, resten, blijven;

(noun) resten, overblijfselen

Voorbeeld:

Only a few ruins remain from the ancient city.
Slechts enkele ruïnes blijven over van de oude stad.

limited

/ˈlɪm.ɪ.t̬ɪd/

(adjective) beperkt, gelimiteerd, besloten vennootschap

Voorbeeld:

We have a limited supply of this product.
We hebben een beperkte voorraad van dit product.

costly

/ˈkɑːst.li/

(adjective) duur, kostbaar, nadelig

Voorbeeld:

The new car was very costly.
De nieuwe auto was erg duur.

particular

/pɚˈtɪk.jə.lɚ/

(adjective) bepaald, specifiek, kieskeurig;

(noun) details, bijzonderheden

Voorbeeld:

Is there any particular reason you're asking?
Is er een specifieke reden waarom je dit vraagt?

drastic

/ˈdræs.tɪk/

(adjective) drastisch, ingrijpend, radicaal

Voorbeeld:

The company had to take drastic measures to cut costs.
Het bedrijf moest drastische maatregelen nemen om kosten te besparen.

evenly

/ˈiː.vən.li/

(adverb) gelijkmatig, egaal, gelijkelijk

Voorbeeld:

Spread the butter evenly over the toast.
Smeer de boter gelijkmatig over de toast.

evidence

/ˈev.ə.dəns/

(noun) bewijs, aanwijzing;

(verb) aantonen, bewijzen, aangeven

Voorbeeld:

There is no scientific evidence to support his claim.
Er is geen wetenschappelijk bewijs om zijn bewering te ondersteunen.

prospect

/ˈprɑː.spekt/

(noun) vooruitzicht, perspectief, kans;

(verb) prospecteren, zoeken naar delfstoffen

Voorbeeld:

The prospect of a long summer holiday is exciting.
Het vooruitzicht op een lange zomervakantie is spannend.

lead

/liːd/

(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;

(verb) leiden, gidsen, aanvoeren

Voorbeeld:

She took the lead in organizing the event.
Zij nam de leiding bij het organiseren van het evenement.

fall

/fɑːl/

(verb) vallen, dalen, afnemen;

(noun) val, daling, herfst

Voorbeeld:

The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.

period

/ˈpɪr.i.əd/

(noun) periode, tijdperk, punt;

(exclamation) punt uit, klaar

Voorbeeld:

The Roman Empire lasted for a long period.
Het Romeinse Rijk duurde een lange periode.

indicator

/ˈɪn.də.keɪ.t̬ɚ/

(noun) indicator, aanwijzing, aanwijzer

Voorbeeld:

Economic growth is a key indicator of a country's health.
Economische groei is een belangrijke indicator van de gezondheid van een land.

industry

/ˈɪn.də.stri/

(noun) industrie, nijverheid, vlijt

Voorbeeld:

The automotive industry is a major employer in the region.
De auto-industrie is een belangrijke werkgever in de regio.

likely

/ˈlaɪ.kli/

(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk, geschikt;

(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk

Voorbeeld:

It's likely to rain tomorrow.
Het is waarschijnlijk dat het morgen gaat regenen.

boom

/buːm/

(noun) dreun, knal, boom;

(verb) dreunen, galmen, bloeien;

(adjective) bloeiend, groeiend;

(interjection) dreun, knal

Voorbeeld:

We heard the distant boom of thunder.
We hoorden de verre dreun van de donder.

director

/daɪˈrek.tɚ/

(noun) directeur, bestuurder, regisseur

Voorbeeld:

The board of directors held their monthly meeting.
De raad van bestuur hield hun maandelijkse vergadering.

substitute

/ˈsʌb.stə.tuːt/

(noun) vervanger, plaatsvervanger;

(verb) vervangen, in de plaats stellen;

(adjective) vervangend, plaatsvervangend

Voorbeeld:

The teacher had a substitute for the day.
De leraar had een vervanger voor die dag.

consequence

/ˈkɑːn.sə.kwəns/

(noun) gevolg, consequentie, belang

Voorbeeld:

The drought had serious consequences for farmers.
De droogte had ernstige gevolgen voor boeren.

fairly

/ˈfer.li/

(adverb) redelijk, tamelijk, eerlijk

Voorbeeld:

She sings fairly well.
Ze zingt redelijk goed.

economical

/ˌiː.kəˈnɑː.mɪ.kəl/

(adjective) economisch, zuinig

Voorbeeld:

Buying in bulk is more economical.
Groot inkopen is economischer.

thrive

/θraɪv/

(verb) gedijen, floreren, bloeien

Voorbeeld:

The plants thrive in warm, sunny climates.
De planten gedijen goed in warme, zonnige klimaten.

implication

/ˌɪm.pləˈkeɪ.ʃən/

(noun) implicatie, gevolgtrekking, strekking

Voorbeeld:

The implication of his words was that he didn't trust me.
De implicatie van zijn woorden was dat hij me niet vertrouwde.

wane

/weɪn/

(verb) afnemen, vermindering;

(noun) afname, vermindering

Voorbeeld:

The moon began to wane after the full moon.
De maan begon af te nemen na de volle maan.

prosperity

/prɑːˈsper.ə.t̬i/

(noun) welvaart, voorspoed

Voorbeeld:

The country is enjoying a period of economic prosperity.
Het land geniet van een periode van economische welvaart.

depression

/dɪˈpreʃ.ən/

(noun) depressie, economische crisis, verzakking

Voorbeeld:

She has been suffering from severe depression for years.
Ze lijdt al jaren aan ernstige depressie.

dwindle

/ˈdwɪn.dəl/

(verb) afnemen, krimpen, slinken

Voorbeeld:

The town's population has been dwindling for years.
De bevolking van de stad is al jaren aan het afnemen.

impede

/ɪmˈpiːd/

(verb) belemmeren, hinderen, vertragen

Voorbeeld:

The dense fog impeded the rescue efforts.
De dichte mist belemmerde de reddingspogingen.

promising

/ˈprɑː.mɪ.sɪŋ/

(adjective) veelbelovend, veel goeds voorspellend

Voorbeeld:

The young artist showed promising talent.
De jonge kunstenaar toonde veelbelovend talent.

adversity

/ədˈvɝː.sə.t̬i/

(noun) tegenspoed, moeilijkheden, ongeluk

Voorbeeld:

She faced many adversities in her life but always persevered.
Ze heeft veel tegenspoed gekend in haar leven, maar heeft altijd volgehouden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland