Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 9 - De economie nieuw leven inblazen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) stilstaand, stagnerend, futloos
Voorbeeld:
(adverb) drastisch, aanzienlijk, dramatisch
Voorbeeld:
(adjective) stevig, levendig, snel
Voorbeeld:
(adjective) instabiel, onstabiel, emotioneel instabiel
Voorbeeld:
(adverb) snel, rap
Voorbeeld:
(verb) zweven, stijgen, snel stijgen
Voorbeeld:
(verb) beweren, stellen, handhaven
Voorbeeld:
(verb) stimuleren, vergroten, omhoog helpen;
(noun) impuls, stimulans
Voorbeeld:
(noun) analist
Voorbeeld:
(adjective) potentieel, mogelijke;
(noun) potentieel, mogelijkheden
Voorbeeld:
(adjective) blij, tevreden, verheugd
Voorbeeld:
(verb) overblijven, resten, blijven;
(noun) resten, overblijfselen
Voorbeeld:
(adjective) beperkt, gelimiteerd, besloten vennootschap
Voorbeeld:
(adjective) duur, kostbaar, nadelig
Voorbeeld:
(adjective) bepaald, specifiek, kieskeurig;
(noun) details, bijzonderheden
Voorbeeld:
(adjective) drastisch, ingrijpend, radicaal
Voorbeeld:
(adverb) gelijkmatig, egaal, gelijkelijk
Voorbeeld:
(noun) bewijs, aanwijzing;
(verb) aantonen, bewijzen, aangeven
Voorbeeld:
(noun) vooruitzicht, perspectief, kans;
(verb) prospecteren, zoeken naar delfstoffen
Voorbeeld:
(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;
(verb) leiden, gidsen, aanvoeren
Voorbeeld:
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
(noun) periode, tijdperk, punt;
(exclamation) punt uit, klaar
Voorbeeld:
(noun) indicator, aanwijzing, aanwijzer
Voorbeeld:
(noun) industrie, nijverheid, vlijt
Voorbeeld:
(adjective) waarschijnlijk, aannemelijk, geschikt;
(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk
Voorbeeld:
(noun) dreun, knal, boom;
(verb) dreunen, galmen, bloeien;
(adjective) bloeiend, groeiend;
(interjection) dreun, knal
Voorbeeld:
(noun) directeur, bestuurder, regisseur
Voorbeeld:
(noun) vervanger, plaatsvervanger;
(verb) vervangen, in de plaats stellen;
(adjective) vervangend, plaatsvervangend
Voorbeeld:
(noun) gevolg, consequentie, belang
Voorbeeld:
(adverb) redelijk, tamelijk, eerlijk
Voorbeeld:
(adjective) economisch, zuinig
Voorbeeld:
(verb) gedijen, floreren, bloeien
Voorbeeld:
(noun) implicatie, gevolgtrekking, strekking
Voorbeeld:
(verb) afnemen, vermindering;
(noun) afname, vermindering
Voorbeeld:
(noun) welvaart, voorspoed
Voorbeeld:
(noun) depressie, economische crisis, verzakking
Voorbeeld:
(verb) afnemen, krimpen, slinken
Voorbeeld:
(verb) belemmeren, hinderen, vertragen
Voorbeeld:
(adjective) veelbelovend, veel goeds voorspellend
Voorbeeld:
(noun) tegenspoed, moeilijkheden, ongeluk
Voorbeeld: